van nu en dan


de zon verblindt ons nu des ochtends
de avonden verduisteren de avond
de nacht dikt nachten aan en toe

de hoofden slaken spraak en stilte
het zwijgen wekt de golven woede
het spreken lokt de angsten uit.

zij lacht niet om, zij houdt niet van,
zij leest niet, vraagt niet, ziet of hoort niet
dat zij door niets volledig is omklemd,
dat zij tot niets geheel is opgeteld.

open wrik ik haar de klamme handen,
teder vouw ik haar de wereld open:
dan ziet zij wel en kermt zij om gena,
dan weet zij dat ik diep in haar besta.

 

schaduwen
dv 2008-2018 – “schaduwen” -A5

 

Advertenties

Miraval


De mond van de Heer verhing zich in de bergen.
En de mensen verdaagden de dag naar de nacht.
De storm aasde in het oog van de storm op de plof
van haar eenzame stilte, de kracht binnenin. Ik zag

de kinderen krijsen tot de ouders hen de schedel
spleten, ik hoorde vlees en bloed op het grijze ijs
kwakken van de zwelgende zwijgtijd. Niets nog
zeiden de vlotte schotsen, niets de vaste stenen.

Niemand zag het blauw of het wit of de vlok
in de pels van armijnen. Water verstikte in water
en de zon vergaste de zeeën en de aarde vervlakte,

verviel. Het licht van het vuur verwaaide het licht
van de sterren. Bel m’es q’ieu chant e coindei.
Pois l’aur’es dous’e-l temps gais.
Miraval was hier.

 


 

 

her_o
dv2018 – “where’s her o?” -A5

van nu en straks


nu de daad gebaart
in droge kronkels
van het net niet raken
aan de kiltetegels dood

en als het straks van grijze lippen niet wil nippen,
als het straks van starre tongen niet wil likken,
als het straks op zoek naar het moment de monden
met monden in de haatmonden open spalkt,

doen vloeien te zeer de stem zal gebieden de lichamen
die hun vlees beamen met hun kokhalzende spreken
van de kolkrivier, van de gutsletters en zich verslikken
in het woordstolsel vlokkend in de misselijk makende tijd;

een stenen slang zijt gij
die mij mijn naam ontnam
en mij als woord vervlecht
in uw lege woordenleer

maar mijn gram palt in de klokgaten
en marmer stuift nog eerder weg dan dan dit
verlangen stoppen zal verlangen op te roepen,
door mij in u en dwars door u zó op te leven

zoals uw bekken bij het golven op scharnierde,
zoals uw hoofd en oog de trilling had van donker licht,
zoals uw huid en hand tot spiegelijs verglaasde,
zoals uw tong de kilte gaf en kloeg van uw genot.

 

 

 


gramschroef
dv2018 – digimontage “trisonique”

tussendoortje voor het slapengaan


Neen, niet die van De Kampioenen. Over W.B. Yeats, omdat ik daar nogal mee bezig ben, de laatste tijd.

yeatskniphuur

Het is daarbij aangenaam om te merken hoe grondig rationeel Yeats is in zijn zoektochten, ondanks alles in zijn beweringen wat wij nu (terecht, meestal) afdoen als flauwe zever. Hij zoekt bijvoorbeeld een verklaring voor instinctief gedrag en kan die enkel plaatsen in een verleden waar ergens iets iets geleerd moet hebben zodat het individu nu beseft dat X slecht is en die ‘instinctieve’ aversie voor X  kan zo voor hem enkel worden verklaard als kennis van de doden aan de ‘ontvankelijke’ levende. Hij trekt de voor hem enig mogelijke conclusie en onderbouwt die dan ook zo goed en zo kwaad hij kan. Veel korter bij een hypothetisch-deductieve vorm van wetenschappelijkheid kom je niet snel.

Bij gebrek aan onderbewuste, of enig ander ‘denkbaar’ systeem van intuïtieve kennisverwerving wordt dus de oorzaak ‘gevonden’ in ‘the dead living in their memories’ (ANIMA MUNDI  XII) en het ‘psychisch’ overdragen van gedachten en gevoelens over de grens van de dood heen.  Bij Yeats wint wel de literaire Neo-Platoonse autoriteit het nog van de ‘doctors’ in de psychologie die nog in haar kinderschoenen staat, maar Yeats blijft wel steevast uitzonderlijk ‘rationeel’ en zeker onderlegd in zijn misvattingen.

Yeats kan zich dan ook geen andere ‘ratio’ voorstellen dan diegene die gebaseerd is op wat hij kent, net zoals wij nu een totaal verkeerde “intuïtieve” omgang hebben met wat wij ‘rationeel’ achten. Hen enige voordeel dat wij hebben is de mogelijkheid om te tijdshiften binnen het heden: op sommige plaatsen is het op sommige vlakken nog 2006 in bepaalde wereld-‘delen’ elders lijkt het op diezelfde ‘vlakken’ wel 2025. Op die manier slagen sommigen van ons er in om zich (pijnlijk) bewust te worden van hun eigen misvattingen en te komen tot een nieuwe, optimistische en dynamische visie op een werkbare waarheid. Maar bon, dat is veel gevraagd ineens, natuurlijk.

Toch, dit moet enigszins bekend klinken, hoe ver we ons ook verdiepen in de ‘actuele’ stand van zaken in een of ander kennisgebied, we ontdekken steevast hetzelfde: dat we ‘er’ eigenlijk totaal verkeerd over dachten, dat onze ‘intuïtie’ niet klopt met de werkelijkheid die veel veel problematischer is dan we hadden gedacht. Dat die ‘ratio’ van ons, als we die zijn eigengereide gang laten gaan,  er eigenlijk iets heel anders over zegt dan wij, in al onze ‘redelijkheid’ er over dachten.  Het is de formule voor het nu bijna wekelijks verschijnende nieuwe-paradigma-bestsellerboek. Aan nieuwe paradigma’s geen gebrek dezer dagen.

Wat wij als evident denken, onze ‘winst’ ten opzichte van het ‘bijgeloof’ van Yeats is daarbij, en dat komt misschien hard aan bij sommigen,  zo miniem dat het verwaarloosbaar is. Het is een cliché al ondertussen maar vooruitgang is er wat betreft de omvang van onze ‘klare zone’ eigenlijk niet, enkel voortgang. En de voortgang is eerder een afgang, want de aankoekende duisternis in de breinen neemt eerder toe dan af. Dat heeft dan weer alles met de overload aan data te maken die we te verwerken krijgen, waar we alsmaar moeilijker de nodige informatie kunnen halen. Dat maakt mensen dan euh, geprikkeld.

Probeer een hedendaagse ‘intellectueel’ maar ’s uit te leggen hoe haar website werkt: je krijgt meer irrationele shit over je heen dan een verpleger in Merksplas, Duffel of Bierbeek.

Meer nog: we zijn qua literaire kennis en omgang met de bronnen van onze cultuur een eeuw of tien weggezakt in het verval, de Marvell-superhelden doorslagjes, dat kennen we nog, veel meer schiet er van de actieve bronnenkennis procentueel gezien niet meer over. In tv-kwissen draven universitairen op die denken dat de voornaam van Kafka Kamiel is. Wat moet doorgaan voor een ‘groot dichter’ in de Nederlandse taal publiceert rammelende flutgedichten in de krant en wordt er op ‘sociale’ media nog voor bejubeld ook. En als je dan consequent wil doorschrijven met de technische middelen die er gelukkig eindelijk zijn, word je als ‘radicaal’ gebrandmerkt, want ja tja, dat soort consequentie doorprikt wel alle illusies die letterlijk als lucht aan de argeloze burger verkocht worden. Het kan gratis, die marginale tekstdistributie voor wat er nog rest aan literaire cultuur, maar nee er moet betaald worden want anders ‘betekent’ het niks. Je zou voor minder uiterst rechts-accelerationist worden zoals Nick Land en hopen dat het zaakje maar snel onderloopt.

Erg? Tja, vraag dat aan de kakkerlakken, voor je het licht uitdoet.

Ach het is een fase, het zal wel weer beteren ooit, dat denk je maar. Er is toch niks tegen te beginnen. gewoon voortdoen is de boodschap en de problemen laten bij hen die ze veroorzaken. Ik blijf daarbij, ondanks wat u hier misschien in wil lezen, want enig doemdenken dat staat er hier niet, zeer optimistisch: ik geloof echt dat dit maar een enorm woelige overgang is, dat het ‘opklaren’ eigenlijk al wat begonnen is. Vraag is wel wie er de lijken gaat tellen, hoeveel tijd er nog nodig is vooraleer die nieuwe Aufklärung van ons kan doordringen tot in de hoofden van de bezitters die er wat mee aankunnen. In Amerika worden de wetenschappers nog net niet het land uitgezet.

Soit, dichtertjes zoals ik kunnen daar (gelukkig maar) weinig aan verhelpen.

Mijn eigen praktijk is ondertussen de facto zo goed als ‘untouchable’ geworden: ik heb niks van ‘luxe’ maar ik heb ook niks echt ‘nodig’ nog daarvan, ik vind onderdak en eten en internet al een hele luxe en ik word min of meer met rust gelaten, net omdat ik niks heb om jaloers op te zijn. Ja, kwispels zoals Francken of Homans of De Block, die zouden nog wel iets vinden om hun nijd op bot te vieren, maar bon, die zouden een stuk chocolade uit de handen van een stervende hongerige ritsen omdat die er ‘geen recht op heeft’.
Maar nee dus : dat dichtersleventje van mij dat is op zich al een enorme luxe. De Giordano Bruno’s van dit tranendal hebben het een pak erger gehad…

Wat storend is, vind ik wel, is dat aanmatigende in de verheerlijking van het NU. Het aantrekken door de meest onbekwame kinkels van het woord ‘literatuur’ als een verse Hema-onderbroek.

Maar bon, dat is dan eerder wel weer net mijn probleem è. Morgen ewa gaan wandelen misschien. Slaapwel.

tumult


droom van stof een droom en
zie de ogen tranen:

barsten zweren in de oorgang,
bloed streept uit de mond, hele
delen van het hoofd verwelken,
armen vallen week van schouders.
krasse vleugels schuren hemels open
en de maan schiet op hun zweven af.

het rennen ploft door rotte benen
het dansen en het zingen
rafelt in de dode kelen uit.
een worm bijt trage gaten
in het dichte wurmen  rond
het wereldgat. de dagen en

de dingen daveren en dra een stang
slaat los en splijt het pogen botweg
open in de draai. levenloze molm
zakt in tot stof. stof staat heet
op stof te stuiven, zand zet hoog
een rug op zand.

laat de ogen tranen, toe maar,
droom van stof een droom

 

tumult
dv 2018 – “tumult” – A5

een Ierse piloot voorziet zijn dood


mijn noodlot wacht dat weet ik
daarboven ergens in de lucht
ik haat de mensen niet die ik bevecht,
ik geef niet om hen voor wie ik vecht
mijn land dat is Kiltartan Kruis
mijn landgenoten zijn de armen daar
geen verlies is daar weldra mijn dood
niets van hier verkleint aldaar de nood
geen wet, geen plicht heeft mij verzocht
geen staatsman of gejuich wou dat ik vocht
een inval heel alleen van welbehagen
bracht mij dit gedoe der laatste dagen;
ik dacht en overwoog tot ik besloot dat
wat nog kwam verspilling leek van adem,
wat was geweest verspilling al van adem,
in balans dus met dit leven, en de dood

 

vrij naar ‘An Irish Airman Foresees His Death’ van W.B. Yeats

I know that I shall meet my fate,
 Somewhere among the clouds above;
 Those that I fight I do not hate,
 Those that I guard I do not love;
 My country is Kiltartan Cross,
 My countrymen Kiltartan's poor,
 No likely end could bring them loss
 Or leave them happier than before.
 Nor law, nor duty bade me fight,
 Nor public men, nor cheering crowds,
 A lonely impulse of delight
 Drove to this tumult in the clouds;
 I balanced all, brought all to mind,
 The years to come seemed waste of breath,
 A waste of breath the years behind
 In balance with this life, this death.
(1918)

 

 

balans