fragmenten_sec.doc


Fragmenten uit de Allerheiligste parabel van

Tante Sizzle en het Verzetshoofd

(dv, Hybridarum Opera #8)

 

Geschikt voor november 2006 en hoger.

De kraag omslaan
van de kamerjas was
een vraag van de huid

Herfst herfst de de het de de herfst herfst

sluimeren slenterde blad treurwilg angstvallig

herfst zijgen stil lost lispelt inzage herfst

herfst herfst in in op in in herfst herfst

herfst herfst het het het het het herfst
kamer venster scherm raam kader herfst ?

stel de vraag was
waarom het zo
vaag is binnen

het kader.

Fig.1: de tekstkiem van “Tante Sizzle en…”

Aanhef der Werken

Stammoeder, gij die Kathedralen baarde, alvoedende Venus etc.:
toen in de nacht van vrijdag op zaterdag e.k. de Here zag
dat het totale aantal doden op de weg dit weekend
het jaargemiddelde vér ten onder zou blijven, besloot Hij dat

de tijd rijp was

Voor aktie. Hij smeekte Zichzelf vergeving af, genade
maar best ook een stukje grootmachtigheid & wierp, daar
waar de mensen zuivere klaarheid & spits uit de witte leegte
de zwart uitstekende Spie der Geprononceerdheid

alsmede de

schier eindeloos uitbreidbare Vlakte der Eenduidigheid
verlangden, niet dàt maar Tante Sizzle ter aarde. In & om
haar ontstonden deze tekstuele uitwassen, die zich ondanks
verwoede Verzetspogingen van het

Spattende Hoofd

waarin zij spookten, een uitweg tot U wisten te banen
waarna zij op proto-virale wijze de door u zo moeilijk
t.n.v. de algehele chaos gewonnen gemoedsrust volledig
teniet doene & u weerom als door duizenden

conflicterende

emoties gevangen, in weerwil – zoals dat dan heet –
van uzelven, um zönst aan dit scherm kluistere.

Introductie van Tante Sizzle

In heur blik is geborgen
de moordende kracht
van ’t sterven zelve.

het vers kabbelt rustig verder,
tot ene Hüsgen twijfel in de
rangen zaait.

Haar ogen, ongelukkige, zijn immers de trekijzeren
Poorten die in hun onderling verslingerde wentelgang
Hun duister dieper bereiden dan het zwartste agaat

Dat Lucilius in zijn geschriften spreekwoordelijk maakt

van het in het

Niets alreeds & toch nogmaals gedachte gebrek aan licht.
Het is een tweespant die Hawking goed wetende
waarom
niet vlug zal naderen, tenzij hij natuurlijk de hoop geheel
liet varen op verlossing in de wetenschap & zijn

curieus neuzelend

lijfje met enige spoed & in volstrekte zekerheid tot anti-materie
wil bedaren. U lacht misschien maar hoor ’s vriendschap
Haast iedere week zie ik enkele vermolmde soortgenoten
plotsklaps gesplitst van hun vaste vorm

in doffe stromen

van de opengebroken ramen van hun kroostrijke villa’s
roemloos naar die of soortgelijke gaten vloeien, zonder ooit
de twijfelachtige eer genoten te hebben hun namen bij de mijne
in het vrijelijk oplichtend gewemel der

toonaangevende

schermen te hebben kunnen moeizaam tegen andere verzen
laten opbotsen. Boeiend maar tragisch is hun lot want hoort:
In de stilte die zich voor een paar jaren achter heur ogen

Strekt, hoort u soms nog de gehakkelde echo’s

van hun weidse

verzen loeien als zovele hoornen van verloren schepen
in de mist of alsof er ons dra nog vuur op de Pentapolis
zal gesmeten worden of, ter derde optie, alsof wij
hoegenaamd nog iets te vrezen hebben van de walmende

woestenij waarin

hun goddeloze razernij ons de landen overdroeg, waarover
wij wel de verantwoording dienen op te hoesten, maar
waarvan wij niet de broncode, laatstaan de vruchten
kunnen dan wel mogen dragen. Maar laat ons niet langer

verwijlen in

de kwetterend georganiseerde trekkingen der opgeladen harten
ter verhoging van ’t stroomloze stoten der inkten
(de nada,
Lucas), & de draad weder opvatten waar hij als gerokken zenuw
met soepresten nog, zo onnet, foei, dreigde een oogkas

ingezogen

te worden (ach de keutels der kraanvogels en dier, ziet
die ziekte is besmettelijk, ik moet mij effen abstineren.)

[fragment2]

Nog nooit was november zo machtig fris, maar
hoe zwart niet & van vloedgolven vergeven is
mijn bol kristal, hoe duister niet & bloed-beklonterd is
wat ik de toekomst in zie zweven. Net

nog, Oostakkers

bijna, in een fikse vaart voorbij het stort van Tienen, zag ik
een wolk vuilnis de half-beknepen buisschoorsteen der ovens
langsslierten. Een man liet loenzend vanonder zijn grijze fez
zijn hond de berm volschijten, maar geen

vogel wiekte

daar, buiten onze wielen die zich in het gekende treinverband
op de sporen dol draaiden, was het geheel stil buiten, daar.
Een menige nacht word ik aldus volumeloos door een
horde woestelingen nagezeten, enige wit-raastige

hekseteven

ook mengen zich daar meestal onder: het zijn de ikjes
denk ik, de anonieme zelfjes die ik bij waken de kant
opschoof of zelfgenoegzaam weigerde te zijn, zodat ik
nu weer net niet de trappen naar de uitgang der

dicht gedroomde

burcht zal halen. Spanje voert de anti-dopingwet
in, Big Brother voelt zich thuis in Groot-Brittanië. De
krant kliedert stuntelig een weids stilleven boven
een thumbnail van Pollock, iets dat veel te druk

oogt met enkele

verzopen paarden. Aandacht, aandacht: spoor-
wijziging. De trein op spoor 2 is niet de Intercity
naar Oostende maar het met slijmen bebaarde
zwarte muildier
Inertia Kock vervoerende de

lang verwachte

slanke neusvleugels van La Sizzle richting uw perceptie
ten einde met de helderheid van hun
Hergéèske Klare Lijn
uw blikken in hun meer schrikbarende glooiingen te lokken
uw monden aan hun holten te verrekken, u daar

waar de beaat

gebeierde bim-bam der duale ademhalingskanalen openstaat,
tot cirkelzang en recursieve lijnvolging te verleiden, U
te wiegen & met de verrukkelijkheid van heur philtrum u
het laatste aards besef te ontfutselen, u slaafs

& slap te wiegen

& vervolgens met een droge knak de strot kapot te bijten.
Binnen vijftig jaar zijn alle populaties vis in onze oceanen
ingestort, maar als ik jou zie in dat roze t-shirt dan denk ik
ABN-AMRO: met U erbij kan ik de hele wereld minstens

vierenveertig

jaren langer naar de donder helpen. De liefde is
geen weegbaar deel van waar Tante Sizzle Tante
is, het is een woord dat uit haar boek is uitgebrand
& met de asse heeft haar hand ooit een aardse

hel getekend

waarbij vergeleken geen woord meer is omdat de taal
het opgeeft taal te zijn in het aanschijn van dergelijke
gruwel. Het is wetenschappelijk bewezen, Activia met
bifidus bacillen hechten zich in kleinteutige

flesjes plastic

aan uw ontvankelijk & van elke zin ontdane lippen vast
totdat u een seconde of twee het genot mag proeven
uzelven gezond te wanen in een onbestaand lichaam
vanachteren voortgedreven door een onbestaande

wind, theatraal

van schoonheden voorzien die u zelf niet in huis
zou halen, mocht u de keus hebben, naderhand,
tussen een herhaling idem ditto van de ellende
genaamd dit, uw leven, enerzijds

of anderszijds

een tijdje de natuurlijke weerstand van een steen.
Natuurlijk, je kan niet alles bij voorbaat plannen, ik
zit hier ook maar wat te
stanzen bij alweer Kill Bill 2
op VT4, kom, laat ´s zien of ik de scènes

Acuna Boys

& where is Bill nog ken of Elle & I ,
want het is in dezen van kapitaal belang het reële
van de nonsens te kunnen scheiden, de identieke tijd
die immers niet dezelfde plaats beduidt, maar de plaats

gezien vanuit

een andere tijd, in een soortgelijke maat a.h.w., het identieke
los van ’t kapitaal dictaat verwant aan Lucretius’
clinamen * vs.
wat Pound
Usurus noemde, de reductie van Alles tot het Telbare
der gebruikswaarde, het nemen van het Ene als ene sluit

namelijk niet

de potentie uit, vervat in (bv. hieronder) perceptuele swerve-incentieven,
schuinmarsjeerders in de lopende code, of, m.a.w.: waar
u slechts lijken ziet of van leven de afwezigheid, gebeurt het
misschien net, & dat waar u zo lillend mee loopt rond te zwaaien

eigenlijk het

afsterven is, de noodzakelijk neerwaartse declinatie
van het eens bevonkte. Het zal mij heden evenwel
net als u
L. Caseis Immunitas wezen, het vooralsnog
volslagen onvindbare bestanddeel van die fameuze

yoghurtfabriek,

want nader tot u brengt dit alles de neusvleugels niet.Soit.
Tante, toen zij jonger was, & in het Tante zijn nog onervaren
had zich menigmaal verwond aan spiegels toen zij daar
haar eigen beeltenis aanschouwde: de klaarte van haar

neusomlijning

stak dusdanig helder uit het glas dat het was alsof er daar
geen glas was maar neus, een orgaan, hoogst verleidelijk van aard
& pas toen zij met zelfeigen lust-bezwangerd’ adem de plaats
op het glas bewasemde kon zij de grens bepalen waar

er wereld was

& waar het glas. Er leek aldus een ideële las gelegd
tussen schijn en zijn, één kluwen rond haar reukorgaan
wier aanschijn bij derden zo dodelijk was dat niemand
het zien der aldus in klaarte omschreven lijnen

ervan langer

dan enkele tellen in leven kon laten. Bij haar zelf leidde
het bekijken ook al tot somtijds een kleine plas Tantebloed
onderaan een Tantevoet daar zij het liefkozen der eigen
lijnen pas goed bij het proeven van haar eigen

bloed kon laten.

Zo wrijft zich vaak ook een kleutervinger oude wonden open
die welhaast genezen waren, enkel uit nieuwsgierigheid
omdat de korst een warmer plaats lijkt te bedekken
die dichter lijkt bij ’t wezen van dat lijf te staan dat ons

is aangedaan.

Jean Delville, wiens visioenen angstvallig in de diepste
kelders der bankgebouwen geborgen blijven, de grooten Delville
die met gemak een Rops een Knopf of zelfs een Margritte
in roem zou evenaren mocht niet zijn werk

zijn familie

ter wille het voorwerp zijn van vele betwistingen, daar
zij daarmede de hoog oplopende rekeningen der psychiatrische
inrichtingen dienen te derven, waar zovele Delvilles
na een blik in d’ogen der meester & met diens genen belast

geborgen zijn

deze Jean is naar het schijnt de enige die het Sizzle-zien
overleefde, hoewel het nadien met hem nooit meer goed
kwam, zelfs niet toen hij zich in Schotland ging
drukken
& aldaar aan de verzen van Burns, nl.

my heart’s not here

een geheel eigen wending gaf, want zo zijn hart niet
in zijn borstkas lag omsloten, zo lag het evenmin
in de
Highlands of waar dan ook want Sizzle had
hem in ruil voor dat ene ogenblik

een gat als hart

gegeven & leegte stromend leeg door lege aderen
zodat zijn arm & hand wel de begeerde lijnen Art Nouveau
kon leggen maar het leven dat hem restte heus
volledig
was, meer letterlijk dan Vondel ons dat woord

verzonnen had.

(…)

[fragment 3]

De nieuw geflashte biosbuddy met het oortje in, de veelal geskipte intro
& de in het less-is-more ge-niet-designde wit der lege bestanden
opgezogen conceptuele outsider-art genererende subroutine mergden
in de nacht voor Allerheiligen & een rappend monster van hun kunnen
kwam die ochtend op een bleke stroom chrysanthen aangeroeid:

zie op het nepparket der vergaderzalen deze blanke drop-out schuiven
afhankelijk van hoe hoog je staat zie je hem wel degelijk of niet
als een visgraten motief het bloedsverbonden
white trash hoogdiets
de planken ingewoven, het openvallende zwart van de zware jutten jas
duivels slim in de kleine pauzes bij het afslaan der schermbeveiligingen

geborgen, het Verzetshoofd waarvan de kraag hautain
de eerste winterlucht uitdagend
in haar modieus uitgezette lijnen
opsnuift

evenals den afzichtelijk headbangende man zelve, de ontijdige
oorbellen nukkig bengelend bij het omslaan, omdat daarbij de terabytes
aanhang in woord en gedachten hem afkalven, de blonde babes zich massaal
van uit zijn feed laten filteren & is hij niet o martelaar der armen van de gil
nog ontdaan, de theatraal galmende zijnsgrap van
Tante Sizzle bij de afvallige
kamerjas, het provocatoire badkamertegelige liggen, ingedoken zacht
alsof haar lenige lijf zich in dit abatoir aan spots ooit verhangen zou
& ach het tegendraadse o slaken daarbij van de in haar kirren
terugplooiende huid, het schaamteloos uit het verdoken vel
op de meningen inpratende, op de duf gechaufeerd opwalmende
geheimen, stel dan nog dat hij het naar believen als lichaam uit
de kijkvorm uitrukken mag, in een spreadsheet uitrafelen, zo
als een uitgekiende
netbattle van nummers in de diepsteedse vestiaire
dat later tot het spreekwoordelijke
jassen van lexicale databases leidde:

herfst bruine de de het de de rot gène herfst
sluimeren slenterde blad treurwilg angstvallig

herfst zijgen stil lost lispelt inzage herfst
herfst herfst in in op in in herfst herfst

herfst herfst het het het het het herfst
kamer venster scherm raam kader herfst ?

heeft hij het wel nog binnensmonds hoe het haar
de trilzuchtige krampen uitwaaide? is er nog tong
waar hij het likt, waar het haar lillend een lichee is,
het gepelde immer doel geweest is, het naakte gewild
al was het nog zo kil dat het stil moest, krijgt hij haar m.a.w.
nog bijtijds de hals toegeknepen? waarom het dan
o het dappere gewrocht in zijn hikkende wikkels
zo vaag is binnen dat okeren kader & geschetst
alsof het mooi moest, met mate beademd?

(Wasemt er nog wat de spiegel op of is het hem deskundig
helemaal ten vele yobibytes omvattende hemel gestegen? De vraag
die hem in twijfel trekt is enkele nanoseconden later ondenkbaar
terwijl daar immers het verzette Woord het netwerk dóór meandert
al :)

” Vrieskou kome dat ons die lijkzware stank bespaard blijve
dat in ´t kristallijne stof ter aard bij al het uitgezomerde
het uitgekotste slijm der sentimenten snel wegkwijne want
al klaagt haar sexy stem zo schor en staan de tere ogen dof
al priemen nog die tepels de dikke lucht ter spanning aan
dit hoogverwaand en lonkend oker moet terstond verdwijnen
& uit de spraak der datadealers elke zucht om haar van klank

ontdaan.

Fragment 4

[T. Sizzle spreekt tot ons bij het binnenrijden van Tienen, Station Tienen]

onze woorden

koud of daar spant Zij al met verve ons de luster
der avondluchten uit, een klingel-klangel van
wrange kleurgewrochten, een fout-fauvistisch werk,
gekladder aan het zwerk & heel extreem in

vetomlijnde

lagen , het brave stadje als een mini-Oostende groots
in het marineblauw & donkerroos doorspekt oranje overtrokken
& tot in het minuscule als inktvraat de lijnen ingetrokken
of in een latere ekphrase, op het vel van de nakende nacht als

mee-etertje

niets in het niets der steedse werken verscholen. Het is niets, krabt
zij zich de jeuk van tussen de bezwete benen, daarbij onze ergste
angsten beamend, het is niets, inderdaad, al om niets die
tergend trage ondergang van uw belang in

steedse zaken,

het is die droom nabij waarbij van sectie A
de droom dient op te houden vooraleer
de droom tot sectie B kan komen & ieder
keer dat ik of jij hem droomt & wakker schrikt

de lucht ijler

wordt, de longen ons harder op de grotere leegte inklappen,
& in de drammerige woestenij van industrie & razernij
waar iedere slammer de stanza’s tot in de nok met vlees wil vullen,
de laatste droeve plof nog droger onhoorbaar klikt,

in stilte niet

klinkt, weigert met de lege rust die van alle tijden nu of ooit
de eindeloos strekkende grond, d’eindmaat & d’aards-bepaalde
strikte noodzaak is. Het stemt ons niet te weten, het krast
ons toonloos, maakt niet blij & streelt geen hovaardij

maar innerlijk

zwelt al het kennen bij ’t zwelgen de bloedklonters tot wapens
& barsten weldra in duizenden breinen deze clusterbommen
maken de geslibde paden ter helderder inzicht weer vrij. Zo
ook verging het mij eermaals toen ik Aeneas nam,

die van Rome

roem wou maken & een kwezel van mijn volgelinge …

* Lucretius clinamen: zie http://www.londonconsortium.com/courses/MapstoneStoicsessay.pdf

Illud in his quoque te rebus cognoscere avemus,
corpora cum deorsum rectum per inane feruntur
ponderibus propriis, incerto tempore ferme
incertisque locis spatio depellere paulum,
tantum quod momen mutatum dicere possis.
quod nisi declinare solerent, omnia deorsum
imbris uti guttae caderent per inane profundum
nec foret offensus natus nec plaga creata
principiis; ita nihil umquam natura creasset.
Quod si forte aliquis credit graviora potesse
corpora, quo citius rectum per inane feruntur,
incidere ex supero levioribus atque ita plagas
gignere, quae possint genitalis reddere motus,
avius a vera longe ratione recedit.
nam per aquas quae cumque cadunt atque aera rarum,
haec pro ponderibus casus celerare necessest
propterea quia corpus aquae naturaque tenvis
aeris haud possunt aeque rem quamque morari,
sed citius cedunt gravioribus exsuperata;
at contra nulli de nulla parte neque ullo
tempore inane potest vacuum subsistere rei,
quin, sua quod natura petit, concedere pergat;
omnia qua propter debent per inane quietum
aeque ponderibus non aequis concita ferri.
haud igitur poterunt levioribus incidere umquam
ex supero graviora neque ictus gignere per se,
qui varient motus, per quos natura gerat res.
quare etiam atque etiam paulum inclinare necessest
corpora; nec plus quam minimum, ne fingere motus
obliquos videamur et id res vera refutet.
namque hoc in promptu manifestumque esse videmus,
pondera, quantum in est, non posse obliqua meare,
ex supero cum praecipitant, quod cernere possis;
sed nihil omnino regione viai
declinare quis est qui possit cernere sese?
Denique si semper motu conectitur omnis
et vetere exoritur novus ordine certo
nec declinando faciunt primordia motus
principium quoddam, quod fati foedera rumpat,
ex infinito ne causam causa sequatur,
libera per terras unde haec animantibus exstat,
unde est haec, inquam, fatis avolsa voluntas,
per quam progredimur quo ducit quemque voluptas,
declinamus item motus nec tempore certo
nec regione loci certa, sed ubi ipsa tulit mens?
nam dubio procul his rebus sua cuique voluntas
principium dat et hinc motus per membra rigantur.
nonne vides etiam patefactis tempore puncto
carceribus non posse tamen prorumpere equorum
vim cupidam tam de subito quam mens avet ipsa?
omnis enim totum per corpus materiai
copia conciri debet, concita per artus
omnis ut studium mentis conixa sequatur;
ut videas initum motus a corde creari
ex animique voluntate id procedere primum,
inde dari porro per totum corpus et artus.
nec similest ut cum inpulsi procedimus ictu
viribus alterius magnis magnoque coactu;
nam tum materiem totius corporis omnem
perspicuumst nobis invitis ire rapique,
donec eam refrenavit per membra voluntas.
iamne vides igitur, quamquam vis extera multos
pellat et invitos cogat procedere saepe
praecipitesque rapi, tamen esse in pectore nostro
quiddam quod contra pugnare obstareque possit?
cuius ad arbitrium quoque copia materiai
cogitur inter dum flecti per membra per artus
et proiecta refrenatur retroque residit.
quare in seminibus quoque idem fateare necessest,
esse aliam praeter plagas et pondera causam
motibus, unde haec est nobis innata potestas,
de nihilo quoniam fieri nihil posse videmus.
pondus enim prohibet ne plagis omnia fiant
externa quasi vi; sed ne res ipsa necessum
intestinum habeat cunctis in rebus agendis
et devicta quasi cogatur ferre patique,
id facit exiguum clinamen principiorum
nec regione loci certa nec tempore certo.

“Waarover hetvolgende u ons ook wetenswaardig lijkt,
dat wanneer deze lichamen recht het ledige doorvallen
door hun eigen gewicht, op een onbepaalde tijd,
op een onbepaalde plaats ook over een kleine ruimte verschuiven
zo dat je zou kunnen stellen dat deze een afzet kennen
want zo zij deze afwijking niet zouden hebben, zou alles
als de regen in rechte goten het ledige diep omlaag druipen
& zou er zich geen hinderingen voordoen of botsing der atomen
van enige betekenis. Zo zou niets ooit in de natuur ontstaan “

untsoweiter, (vertaling dv.)

Titus L. Carus, waarover verder niks bekend is, heeft het hier over minimale distinctie scheppende fenomenen in een verder volstrekt deterministisch universum. Het grootste probleem van het determinisme is traditioneel de verklaring van hoe er uberhaubt iets nieuws mogelijk is in een gedetermineerde wereld, en hoe bv hier de notie vrije wil te rijmen valt met het dictum dat ‘nooit iets uit niets ontstaat’.

Lucretius poneert hier zijn onzekerheidsprincipe, nl. het ‘clinamen der atomen, een geringe afwijking waarover noch plaats noch tijdstip geweten is’.

U zal begrijpen dan onzen Titus in recente tijden een beetje aan herwaardering toe is gekomen, daar de ontdekkingen van de wetenschap afgelopen eeuw voor een stuk ’s mans losjes uit de mouw geschudde en in ronkende hexameters nedergepende theorieën met feitelijke data blijken te kunnen ondersteunen, indien men op onwelvoeglijke wijze zijn begrip atoom vervangt door wat de moderne natuurkunde over primaire deeltjes danwel golf-partikels heeft te zeggen.

Uit een ander citaat moge blijken dat Lucretius zich ook van de code-eigenheden van zijn tekst zelf bewust was, ook al zoiets dat actuele scribenten zoals u en ik vertrouwd in de oren zal klinken:

“Nu ja, in onze verzen kunt gij ook zien dat een menigte letters in allerlei woorden ’t zellefde is, maar gij moet toch erkennen dat verzen en woorden de ene uit deze en die weer uit andere letters gevormd zijn; niet omdat wij niet vaak gemeenschappelijke letters ontmoeten, of omdat er geen twee zijn gevormd uit dezellefde letters, maar omdat meestal niet alle precies aan elkander gelijk zijn.” (II 688-694)

Natuurlijk moet je dergelijke duizenden jaren omspannende letterverbanden met de nodige korrels natriumchloride op smaak brengen, maar het doet den Argeloze Westerling toch deugd om naast die eeuwige boeddhisten ook ’s een recht-voor-de-raapse Italiaan als precursor genoemd te zien, een term overigens die ons bij de immer immens triest ogende Harold Bloom brengt, de nogal tot uiterst reactionaire literaire theoreticus die het swerven op z’n Lucretius toepast op literaire voorbeelden en hun navolgers, om zo tot een evolutief beeld van de literaire wereld te komen.
Allemaal 1 pot nat, we zeiden het al, want de
common denominator in al dat hernieuwde atomisme, is, helaas, want het zou ook anders kunnen, dat van een geruststellende terugkeer naar de Zekerheden in ons Leven.

Vandaar dat hier soms bedorven verzen stinkend klinken, of zwaar klinken om bewust naar verderf te stinken.

Nu ja, u zal zeggen, die perceptuele swerve-incentieven van u, dat klinkt wel goed, maar dat is in feite larie en apekool want alles wat u laat zien daarvan bevindt zich hoedanook in de representatieve orde en heeft niksvanal uitstaans met de wetten die de materie beheersen. Nou nee, zeg ik dan, want u dient ook te beseffen dat de Kathedraals Leer (aka de kessel-loose kabbala, een ladder met verscheidene sporten) slechts twee zijnsorden erkent, te weten, die van het onbestaande Zijn, dat uit elke reden dient geschrapt omdat het Zijn een gepriviligieerde term is van de Code, en die van het humane Worden, waar men de Code in haar lopende vorm kan aanschouwen, maar waar elk aanschouwen tevens een meelopen der Code is, en waar niet geschouwd kan worden zonder ook terzelfdertijd geschreven.

Het is misschien wat ingewikkeld, zo op een zondag, terwijl u enkel wat wou bloklezen, maar eigenlijk is het poepsimpel: de uitspraken der fysica betreffen netzogoed ´slechts´ de lopende code als dezen die hier vallen, (alleen vallen er hier geen uitspraken, waar zouden ze dan opvallen?). In het digitale veld wordt duidelijk de grootse flattening van alle code tot Code, en waar wij winnen aan bewerkbaarheid (het conformiseren of zelfs comfortiseren van de code aan ons gemak, aan de waarheden zoals wij ze willen (be)leven), daar verliezen wij aan vorm- en/of zingeving (hetzij informatie).

Met het Hoofd buiten, Tante binnen en huid ertussen
is het wel uit te houden,
winterkou went. Snel

van Sweelinck nu door Koopman
de variaties
Est-ce Mars in deze

duiventil, dit klokhuis, de nis
in de eeuwige muur van onze duisternis, waar het Liefde
regent te wijd voor Zijn
armen untsoweiter

men neme zijn Van der Graft op p.369 e.v.

Blijf Kalm in de Heer die Licht is en Dagen (116)

Want gij in den Hoge zijt alleen bedrieglijk, al te diep

Werd ik door u nedergebogen & toen de koorden

Des doods mij omsnoerden, in de ure dat ik

Door koortsen uitgemergeld op Uw stofloze Wezen
mij stortte, toen de beklemming mij aangreep & ik

Rilde, mijn ogen hunne kassen bijna verlieten

Van ontzetting om de naderende tel waarin mijn

Einde voltrokken zou zijn, toen Gij mij weigerde
Vanuit het desolate duister van Uw onwil het minste

Erbarmen toen Gij niet in mededogen maar in nietzijn
Verkrampend het nietzijn verkoos boven de minste
Toegift aan uw alom geroemde medemenselijkheid, toen

Mijn lippen te laven u te min was, toen Gij zo het u
Door anderen gegeven zou zijn eerder de pijn in mijn
Lendenen met het slaan van Uw stokken vermeerderen wou,

Toen Gij mijn roep tenslotte en mijn smeken negeerde

Toen besefte ik eilaas te laat dat Gij nimmer Uw beloften
Inlossen zou & kon ik de vrede vinden in het algehele Niets

Dat U mij aldus een leven lang ontzegd had. Looft dus ,
Wereld , uw Heer, heb Hem lief opdat gij met dergelijke

aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in het uur

Van uw sterven zonder twijfel in de brekende ogen uw dagen

Geteld weet, opdat gij zoals gij uw naaste bemint evenzeer
Dat Alomvattende ten hemel stierende met uw liefkozen verniette.

Wat doet die verloren Psalm hier in godsnaam, kán het dan echt niet
effie een beetje netjes”

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.