op de thee bij Persephone


X

Uw zon is weg & de trage terreur
van het ontwaken in de nacht breekt aan.
Er wemelt rag & vlooien wijl de zeur
er is van pijn , een lor scheuten mij gaan
dwars door de leden, het scherpgras
mij geselt. Uw duister plooi ik open
& staar naar het ovarium er in
het tere sterven, het gestremde lopen
dat u mij te strelen geeft: herinnering
aan het tergende kraken van uw lied.

XI

In kringen te lijden staan de verdaagden
stram de ledematen met ijzer verzwaard,
de buiken met zweerhaken verankerd
& de benen druipen. Kom, zo schuifelt
de vader met zijn godskindje de nacht in,
een donker krioelen van reine vraatzucht,
mompelt de meineed dat het goed komt, ja.
Hij zucht zichzelf al uit in het nakende,
kijkt recht in het lege licht op de bühne,
werpt de leegte zijn licht toe van jaren.

XII

Wij zijn vergeten hoe we hier waren,
Wij hebben de angst uit het oog verloren,
Wij voelen niet langer het fragiele,
Het deerniswekkende breekbare
Van onze vergeefse bestanden: het vuur
Te bewaren wij dachten te kunnen
Terwijl de taal doodloopt op u & ik
De onmetelijke afstand tussen onze handen,
Het zwijgen dieprood, de  toondove as
In de orgastisch bekroonde liefde.

XIII

U raast in mij & ziet mijn liefde niet.
Ik hield nochtans haar armen hoog, haar hand,
die mij te spelen had tot in de andere,
het warme zachte achter haar oor, het kille
van haar tong toen ze kwam, de rug die krom
een bekken werd waarin ik krols de dag
opsomde, hier ben ik & hier is wij,
de conversatie die ze afbrak & mij.
Je kon naast mij zien of ik er was of niet.
U blaast mij  uit & ziet mijn lijden niet.

XIV

Als grijze wolken nu het hemels blauw
Nog niet geheel bedekken, zo zie ik nog
Gaafrandig in de lucht wat licht van jou:
Een spoor van hoe je hier aanwezig was.
Langoureus ik laaf mijn blik aan schittering
In velden van verbittering. Ik zie
Quasi feeëriek een gouden lok
Uw frêle schouder raken, impudiek
Een klemtoon hemels rond de aarde slaan:
‘t Chalcedonagaat staat boven elke straat.

XV

De dagen duw ik na hun afloop plat
In  de vette smurrie van de tijd: die  strook
Vergetelheid waar niemand vraag naar had,
Een ooit, een toen dat ruikt naar slangelook,
Uren die genadeloos blijven duren,
Kwartieren die aan ligranden verduren
De loden minuten, doffe seconden,
Het dode leven zonder u, het grauwe zijn,
Zwart van verlangen, & zuur als azijn.

XVI

Het Buiten brak bij hem het broze in
& Liet ons niets dan leed, vernedering.
De Heren knelden strak om ons hun greep,
Onze ogen stonden koud, verbijstering
rolde Hades ons als pasmunt toe. Zing
toch niet zijn lied dat valse klagen in!
(In hun woorden miste ik zijn tere zin.)
Doorheen jouw tranen greep Zij de kracht
van woede die mij daar tot wanhoop bracht
& bond jouw zachte smart om mij tot pracht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.