ViLT

Neue Kathedrale des erotischen Elends, nl weblog (v.2)

kairos


800px-Francesco_Salviati_005

Much that is terrible takes place in the Homeric poems, but it seldom takes place wordlessly: Polyphemus talks to Odysseus; Odysseus talks to the suitors when he begins to kill them; Hector and Achilles talk at length, before battle and after; and no speech is so filled with anger or scorn that the particles which express logical and grammatical connections are lacking or out of place.
This last observation is true, of course, not only of speeches but of the presentation in general. The separate elements of a phenomenon are most clearly placed in relation to one another; a large number of conjunctions, adverbs, particles, and other syntactical tools, all clearly circumscribed and delicately differentiated in meaning, delimit persons, things, and portions of incidents in respect to one another, and at the same time bring them together in a continuous and ever flexible connection; like the separate phenomena themselves, their relationships—their temporal, local, causal, final, consecutive, comparative, conces- sive, antithetical, and conditional limitations—are brought to light in perfect fullness; so that a continuous rhythmic procession of phenomena passes by, and never is there a form left fragmentary or half-illuminated, never a lacuna, never a gap, never a glimpse of unplumbed depths.

Erich Auerbach, Mimesis: The Representation of Reality in Western Literature

vertel mij alles, muze

In het universum van Homeros zijn er geen gaten. Een lacune zou duiden op een geheugenfout, een afgang voor de Verteller wiens kunst er net in bestaat ‘uit het hoofd’ te ‘vertellen’. Zijn relaas van plaats tijd en handeling moet ‘kloppen’, sluitend zijn. Want wat de Verteller verteld heeft de onmiddellijkheid van een realiteit, het moet op zichzelf kunnen staan.

We gaan ervan uit dat de verhalen van Homeros opgeschreven zijn lang na het overlijden van Homeros. Zij zouden nog deel uitmaken van een orale cultuur, die zou bestaan hebben vóór de ‘uitvinding’ van het schrift. Ik zeg ‘zou’, want dat hebben we natuurlijk maar van ‘horen zeggen’. Ik zeg ‘uitvinding’ tussen haakjes omdat het schrift niet éénmaal uitgevonden is maar op diverse plaatsen op diverse tijdstippen is ontstaan in heel erg verschillende vormen. En ook weer verdwenen om vervolgens opnieuw te zijn ‘uitgevonden’ of van elders geïmporteerd.

Soit, over het schrift doen hardnekkige en kwalijke misverstanden nog steeds de ronde, we zullen het daar later nog over hebben. De misverstanden zijn kwalijk omdat ze ongewild een uiting zijn van dwaas Westers suprematie-denken. Maar goed, we waren hier: in een orale cultuur bestond bij een voornaam ‘auteur’ daarvan, Homeros, de neiging om de volledigheid van het opgebouwde vertelde universum na te streven. Er is een stringente vereiste van innerlijke eenheid. Mooi hè, dat hier van ons!

Auerbach merkt daarbij ook op, en dat is van het grootste belang voor ons betoog van de dag, dat de vertelde tijd geen ‘achtergrond’ heeft. Alles gebeurt in de voorgrond zonder dat er in het achterhoofd van de toehoorder een tweede tijdslijn als achtergond wordt in stand gehouden. De vertelde tijd is eenvormig. Als er middenin een slachtpartij een nieuw element moet worden ingevoerd, valt de tijdlijn van het gevecht volkomen stil, tot alles gezegd is wat er over dat nieuwe element in het verhaal dient gezegd te zijn. Niet om de suspens op te voeren, dat doet Homeros niet, het verhaal moet ‘kloppen’ (Auerbach vertelt het overigens veel correcter, mooier en plezanter, lezen dat boek!)

het  geboekstaafde wicht

In een schriftelijk doorgegeven  ‘vertellen’ is dat anders. Het geschreven verhaal heeft haar eigen tastbare realiteit, haar tekstuele materialiteit tussen de andere teksten.
Een teken heeft een ander teken nodig om iets te kunnen betekenen. Tekst is meteen ook intertekstueel, een boek is als boek onmiddellijk deel van een maakbare, mogelijke bibliotheek.

Een boek is besloten in zichzelf, het is een eenheid, en verschilt in zijn boek-zijn met andere boeken. Een boek is af, en daardoor tot zichzelf beperkt, maar sluit in zich het hele universum van al het geschrevene omdat elk geschreven woord sowieso een relatie van differentie onderhoudt met het voorheen geschrevene, elke tekst refereert alleen al door zijn tekst-zijn naar andere teksten. Het verschil van het boek maakt het boek en verschil.

In sommige boeken wordt vastgelegd hoe je boeken naar behoren dient te maken. Dat soort normatieve boeken dat alle mogelijke boeken netjes in vakjes onderverdeelt en de goede orden van het boek, de auteur en de bibliotheek voor ogen heeft noemt men ‘Poetica’ van het Oud-Griekse woord voor ‘maken’. De gemiddelde Nederlander wordt opgewonden, geil en bronstig bij het horen van het woord ‘poetica’, zij tuimelt schuimbekkend ter vloer en fluistert met een hees-hervallen stem in het Nengels ‘yes, dier, give me your poetiks, dier’ bij het aanhoren van de eerste zin uit de oer-poetica van Aristoteles in de nagelnieuwe vertaling van stervertaler Gerbrandy.

Ik heb dat boek in de versie van Gerbrandy gisteren besteld, want ik wou die zin citeren hier, maar de Bezorger is nog onderweg. Later dan maar, hier is nergens…

In die lange traditie van ‘Vertellen voor Dummies’ aka ‘poëtica’ en/of ‘retorica’ was er vaak ook aandacht voor het begrip ‘kairos’, ons Onderwerp van de Dag.
Lees het artikel in Wikipedia al maar, dan hoef ik het niet meer uit te leggen, aangezien u dan wel, ten gepaste tijde, zal beseffen wat het begrip ‘kairos’ allemaal zoal zou kunnen inhouden in een schrijfpraktijk die niet langer gebonden is door de beperkingen van het boek.

Helaas ben ik hierbij, net als vele andere van hautain hermetisme beschuldigde auteurs voor mij, tegen mijn wil in genoodzaakt om u de gigantische rijkdommen der mogelijkheden voorlopig verborgen te houden daar u ze enkel zal kunnen zien als u ze daadwerkelijk ervaart, en u gaat ze pas willen ervaren als ik ze verborgen hou.
Het ware en het schone, immers,  zitten altijd al in het spreken, maar het spreken kan enkel plaatsvinden in de voortschrijdende context van het gebeuren. Alles op zijn tijd, dus, kortom, …

Deleuze verklaart zich met zijn kompaan Guattari vijand van het boek omdat het boek het symbool is van de afgeslotenheid van het eenheidsdenken. In een boek (Mille Plateaux). Zij schreven het boek van de innerlijke tegenspraak, dat je ook niet van begin tot einde hoefde te lezen, het is ingericht in ‘plateaus’ die je in eender welke volgorde mag lezen/niet-lezen en het nodigt je uit om zelf meer ‘plateaus’ aan te maken.

Zelf ben ik een uitgesproken liefhebber van het boek, ik heb die opgedreven spanning niet nodig, zoals het in de jaren zeventig van vorige eeuw voor de door mij erg bewonderde filosoof en zijn kompaan wel nodig was.

Ik verbaas mij elke dag nog met hoe weinig ik eigenlijk nodig heb. Daar staat tegenover dat wat ik dan nog wel nodig heb, zich meer en meer als een absolute noodzaak aandient. Zoiets is typerend voor een radicaliseringsproces denk ik dan, met een raar lachje.

prison break

Alzo is ook het internet geboren, niet op een computer, niet in een netwerk maar in een boek. Het is bedacht door Jorge Luis Borges in een verhaal getiteld ‘Het Boek van Zand’. De verteller bladert erin maar nooit is het boek hetzelfde. Het beginblad is ook onbereikbaar, blader je naar voor dan kan je blijven bladeren, blader je naar achter idem dito.

Oh hell. Daar gaat ons vatbare bevattelijke universum van het gemeenzaam vertelde en vertelbare. Informatie-explosie. Niets is nog wat het is en alles is teveel.

Schrijvers zouden geen schrijvers zijn als ze niet zouden doen alsof er niets gebeurd was. Dat deed het bevederde gepeupel ook al bij de opkomst van de tekstverwerker. Iedereen kakelde maar door, bleef zich maar schrijver noemen, terwijl weinigen gebruikten het schrift nog voor veel meer dan voor het onderteken van het contract met de verlieslatende uitgever. Geen vogelsoort die minder aandacht heeft voor de tak waar hij op zit dan de van zichzelf zingende poëet.

De nieuwe mogelijkheden voor de distributie en het delen van teksten, quasi kosteloos voorhanden op het internet interesseerde de gevestigde auteur allerminst. Zij kon daar immers geen garen bij spinnen. Veel van de mensen die creatief en intellectueel interessant bezig waren van hun kant, konden slechts nog matig geboeid worden door het alsmaar grijzer draaien van de uitgespuwde boekenpersen.

Okè Vekemans, spreek voor uzelf. Het internet bood de auteur in het eerste decennium van de 21ste eeuw een plotse pletora aan nieuwe mogelijkheden zodat heel het bestaande literaire bestel dat zich door commerciële kortzichtigheid en doordeweekse menselijke moedwil en misverstand van een glorieuze zee tot een danig verziekt vijvertje had laten draineren, heel dat gedoe kon met gemak genegeerd worden.

Gewoon door dagelijks online te schrijven kon men zich garanderen van een min of meer trouw lezerspubliek, en samen met hen, in wat dan de ‘blogosfeer’ was gaan heten, kon je lustig experimenteren met de nieuwe mogelijkheden.

En toen kwam de Bankencrisis, Isis, Didi de Paris en Facebook. En Facebook won. Het waren de sociale netwerken die alle mogelijkheden van de ‘online literatuur’ schijnbaar definitief en overnight volstrekt onmogelijk maakten.

Waar je voor het inrichten van zo’n blog en het voortduren online schrijven toch enige moeite moest doen en enige kunde aan de dag leggen werden die mogelijkheden om de aandacht van het ‘publiek’ te vragen plots ‘gedemocratiseerd’ want iedereen kon om het hards om aandacht gaan schreeuwen op Twitter en Facebook.
Die functie die de blogs ook hadden, het verlenen van genoegdoening aan de basisbehoefte van sociaal contact voor de eenzame medemens, viel geheel weg, dus het eindeloos gepalaver over de poëtica’s in de commentaarsectie van de Nederlandse literaire blogs was opeens foetsie en enkel de teksten bleven over.

Literaire teksten worden nauwelijks gelezen, dat was eigenlijk al bekend, maar bon, nu begon het wel al te hard op te vallen. ‘Boeken toe’, zo luidde het verdict in de Lage Landen voor de literaire blogs. Geen stof steeg op, geen haan kraaide, geen messias crepeerde aan het kruis. De Bankencrisis was bedwongen en de prijzen konden weer Fintro kraaien…

Als zangvogel kan je altijd gaan vliegen als je tak afbreekt. Maar wat als er nergens geen bomen meer zijn? Het literaire vijvertje in de papieren ‘bovenwereld’ was inmiddels met toenemende geurhinder quasi geheel opgedroogd en naar wat er resteerde aan online scribenten keek geen kat meer om…

Ach, zo’n vaart loopt het niet; Sindsdien zijn we weer gezellig thuis tussen onze onverkoopbaar geworden boeken en de rest van onze Brol. Schuddebollend bij een kop kamillethee en geheel verlaten Zonder Zomerlief bevragen wij de zwarte Kern van de Wanhoop: “Vertel mij, Kern: is er nog een link naar de toekomst?”

 

Wordt Vervolgd

 

Categorieën:lyriek