de glaslink


 

Booischot 1969. De zon hangt in de haag, zijn
speeksel druipt en glinstert. Het witte linnen kraakt
strak rond mijn stekkenbenen. Ik maak ik.

Vóór de mensen was er enkel
lucht, blauwe lucht met meikevers overal.

Een fossiel is het woord solfer, zo zonder lucifers,
de geur is weg uit de ruitjes van Union Match, maar
de pootjes schieten tastend telkens weer
het doosje uit.

Snel! Doe toe!

Wat
was zit
binnen, anders
was het niet. 
Het blijven is
het blijven in de leegte
van luisterrijke ritselingen.

Ik vergreep mij aan het glinsteren, de glasscherf zette
onverbiddelijk haar lijn op mijn arm, hoog een rode
krab veelstralig spatte op de groene bladeren en het wit

en het blauw verzeilden met woord en al de luchten in.
Wilde wervelingen werden mij met kleuren aangedaan
tot de pijn het einde van de schreeuw aantikte. Stik:
iemand heeft verdomd weer op dat litteken geklikt.

Haar lichaam staat, zo zeg ik haar heden ten dans, als een stil gemis
in de afzichtelijke woekeringen van verwording
en in de kale tak persoonlijke verdoemenis.

 

binnenboom
dv 2008 – “Q, of de binnenboom”
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.