22B11


haar lichaam valt mijn vingers uit en zinkt
het vormeloze in. elke zucht verwijdert
beelden en verdaagt geluid. haar hals
is klaar een vaste waas van licht, ik durf

de ogen niet te sluiten. er is koude die niet
wijken wil. kale takken tikken op het raam.
de frigo slaat aan, het ruisen van haar adem
hoort hier niet en dat krijsen was geen trein.

zot verbolgen draait de aarde lor met mij, haar
gronden als vingers willen af van snot, haar zeeën
walgen wee van koortsdelier,  haar geile zon

doet stiekem teken naar de maan:  geheel de naam
van mijn bestaan wordt langzaam uitgesproken, en 
zo jaagt mij en al wat kruipt zij voort met vloek en stok.

[deze tekst maakt deel uit van het NKdeE Heraclitusprogramma: ‘Heraclitus lezen’ (1999-heden)]

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.