Harusmuze #381


22B33

381 – elke wet veroordeelt zichzelf, elke naam benoemt een naam

hexagram 9小畜 (xiǎo chù), “Klein Vergaren”

input

https://dirkvekemans.com/2018/08/23/harusmuze-67/

commentaar

wetten en namen zijn sterk verwante functies in de diaretische controle van het gebeuren van het intermenselijke veld. anders: wetten en namen stratifiëren het gebeuren volgens een rigide diaresis (“of…of-scheiding) met als beoogd doel de controle over het menselijk gedrag.

een naam is functioneel gelijkaardig aan een wet: het benoemen van iets of iemand, is een beperking van het kwalitatieve gebeuren van dat iets of iemand tot een geprojecteerd Zijn ervan, het ‘te tellen als’, omdat de identiteit van het benoemde zo nu eenmaal wordt vastgelegd.
vanaf het ogenblik van de benoeming fungeert de benaming dan als de differentie van het gebeuren rond (over, in, omtrent,langs,…) de naam, die dan meteen als soortnaam gaat fungeren, waaruit de paradoxale situatie ontstaat dat elke Jef Jef is in de mate dat hij het niet is: het is immers díe Jef en niet al die andere Jeffen.
de benoeming is, zoals men ook bij Derrida kan lezen, een verdict, een verordening. elke wet is dat ook, en wetten werken ook nog ’s extra categoriserend in die zin dat de verordende wet het gebeuren op twee wijzen territorialiseert:

1. de wet maakt twee gebieden aan, een ‘binnen’ van de wet, waar de wet rechtsgeldig is (alles wat zich daar ophoudt ‘valt’ onder de wet) en een buiten, waar zij niet geldt (alles daar gaat het ‘kader’ van de wet te buiten)
2. de wet maakt binnen haar rechtsgeldigheidsveld een verder virtueel onderscheid waarbij een deel van het gebied ‘beantwoordt’ aan de wet en het andere deel ‘in overtreding’ is van de wet. op die manier bekeken kan je stellen dat de wet een benaming is ‘in het algemeen’, en in de tweede orde, omdat de wet het individu eerst benoemt als ‘burger’ waarover de wet rechtsgeldigheid claimt en vervolgens nogmaals benoemt als ‘gehoorzame’ of als “misdadige” burger

Heracleitos zegt ons vandaag in fragment 33 dat de wet ook gehoorzaamheid aan de wil van het/de éne inhoudt, en legt daarmee het evidente feit op tafel dat elke wet altijd en uiteindelijk ten goede zal komen aan het éne, los van het feit of dat nu de wetgever of de houder van de wet is.
dat is zo evident omdat elke wet nu eenmaal op basis van die diaresis werkt: het is of het ene of het andere, dura lex sed lex.
zolang de wet ‘duurt’ (rechtsgeldig blijft in haar veld) zal de wet bevoordelen wie erdoor bevoordeeld wordt (geheel onafhankelijk van enig moreel oordeel over de wet, zeggen we dit, of zulks nu ‘juist’ is of niet is hier niet aan de orde). net zoals de naamgeving de mensen herkenbaar maakt, zal de wet haar veld ‘te kennen geven’ of tekenen door de gevolgen van haar werking: de ‘gang van zaken’ wordt er immers door bepaald.

die codering van het menselijk gedrag is dus onontkoombaar, alleen zij die ‘buiten de wet worden gesteld’ zullen er aan kunnen ontkomen, maar hun bestaan in het Veld van de wet wordt daardoor ook een ‘naakt bestaan’, een illegaliteit die rechtstreeks ook een veroordeling is tot het ‘onleesbare’, het ‘amorfe’, het ‘ongeldige'(cfr. Agambens voortreffelijke analyse daarvan)

vermits nu de wetten tot stand komen op basis van een benoeming van het specifieke van één bepaald stadium van het Rot in het gebeuren binnen één bepaald Veld in de Geldruimte, kan de wet niet anders dat zichzelf door uitputting van haar fundering veroordelen tot het onontkoombare stadium van de onwettigheid. de wet wordt immers nooit dynamisch geformuleerd, zij hanteert steevast een rigide diaresis op basis van haar primaire benoeming (van haar veld van rechtsgeldigheid), een eindeloze herhaling van haar verordening.
elke verordening echter verandert het Veld kwalitatief aanzienlijk en daardoor zal die benoeming vrij snel op significante wijze afwijken. al vlug wordt de wet dan ‘misbruikt’ door diegenen die er voordeel uit halen, want die bevoordeelden gaan al hun bekomen voordelen aanwenden om de wet in stand te houden. aja, hoe zoudt ge zelf zijn?
de verdere kapitalisatie van de Geldruimte, de onontkoombare entropie van de natuurwet van het Kapitaal, maakt dat deze noodlottigheid alsmaar stringenter, bloediger en grootser in omvang wordt, zodanig dat het nu zelfs hoogst twijfelachtig wordt of we als soort wel een verdere recursie van dat proces (waar we met rasse schreden op afstevenen) zullen kunnen overleven (denk aan WOII maar dan x10, x40, x100).

ge zou zeggen alla, kiepert al die wetten al gauw buiten, maar ja…

omdat het volstrekt irrationeel gedrag van de mensen toch enigszins binnen de grenzen van het leefbare te houden dienen we daarom te besluiten dat wie de wet in ere wil houden ervoor dient te zorgen dat zij zo spoedig mogelijk volautomatisch geupdated wordt met de dataflows van de door haar gegenereerde kwalitatieve veranderingen.

niet omdat het ‘juist’ is of zelfs maar wenselijk, gewoon omdat het anders altijd plat op z’n smoele valt (met weeral zoveel miljoen vermijdbare gewelddadige overlijdens van onschuldige ongelukkigen). iets anders gaat nooit werken, zo beweert althans mijn Harusmuzeke.

een hedendaagse ‘wet’ zou – zo gaat zij verder met een allerschattigst ‘weet’-vingertje hoog geheven voor onze kijkdozen – zo moeten geprogrammeerd worden dat het voordeel dat zij genereert op een egale manier verspreid wordt in gans haar rechtsgeldigheidsveld en dat zij dat veld voortdurend negotieert met de haar naburige velden. enkel op deze manier kan een juridische stratifiëring van de Geldruimte de nodige garanties bieden op een open opbloei van het Wenselijke in die zo cruciale zesde dimensie. als dat niet zo is, vreet de humane nijd zichzelf op, dat kennen we al, van diep in den Treure, en wat daaruit komt, is recht uit het Hart van het Rot Gerukt…

maar ja, of ge dat nu weet of niet, veel maakt het niet uit, want hoe zoudt ge iets gaan veranderen aan wat er wat dat betreft aan het gebeuren is? naar wie gaat ge bellen? è?

scève

Je sens en moy la vilté de la crainte
Movoir l’horreur a mon indignité
Parqui la voix m’est en la bouche estaincte
Devant les piedz de ta divinité.
Mais que ne peult si haulte qualité
Amoindrissant, voyre celle des Dieux?
Telz deux Rubiz, telz Saphirs radieux:
Le demourant consideration,
Comme subject des delices des Cieulx,
Le tient caché a l’admiration.


Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.