Tiriël (4/8)


Over lastige heuvels vervolgde de blinde zijn eenzame weg.
Voor hem was dag en nacht gelijk: troosteloos en donker;
Maar hij was nog niet ver of Ijim kwam uit het bos naar hem,
aan de rand van het bos op een donkere en verlaten weg.

“Wie zijt gij, oogloze miezer, die zo de leeuw zijn weg verspert?
“Ijim zal uw zwakke leden klieven, gij uitdager van Zwarte Ijim!
“Gij ziet er uit als Tiriël, maar ik ken u goed genoeg.
“Ga uit mijn weg, smerige duivel! is dit uw nieuwste truuk,
“Om zo hypocriet te zijn om blinde bedelaar te spelen?”

De blinde hoorde zijn broers stem en viel op zijn knieën.

“O broer Ijim, als ‘t uw stem is die mij aanspreekt.
“Wil Tiriël, uw broer, niet slaan, hoezeer hij ook aan’t leven lijdt.
Mijn zoons hebben mij alreeds geslagen, en als gij mij slaat
Zal de vloek die nu over hun hoofden rolt op u gaan rusten.
“Het is nu zeven jaar geleden, in mijn paleis, dat ik u laatst zag.”

“ Kom gij donk’re duivel, ik daag uw sluwheid uit! weet dat Ijim
“Het verfoeit u te slaan als hulpeloze ouderling en zonder ogen.
“Sta op, want ik heb u door en daag uw welsprekendheid uit.
“Kom, ik zal u leiden op de weg en u gebruiken voor mijn spot.”

“Ach, Broer Ijim, gij ziet voor u Tiriël, de ellendeling:
“Kus mij, mij broer, en laat mij dan verder zwerven alleen”.
“Niks van, geniepige duivel. Maar ‘k zal u leiden, wilt ge verder gaan?
“Maar zwijg maar of ik bind u met de groene algen van de beek:
“Ja!, nu gij ontmaskerd zijt, zal ik u  gebruiken als een slaaf.”

Nu Tiriël de woorden van Ijim hoorde, nam hij de moeite niet meer
Om te antwoorden: zinloos, zijn woorden waren als de stem van ‘t Lot.

En ze gingen verder samen, over de heuvelen, door bosrijke dalen,
Blind voor ‘t plezier van ‘t uitzicht en doof voor de kwetterende vogels;
Ze liepen heel de dag en heel de nacht onder de aangename Maan,
Westwaarts gingen ze, tot Tiriël moe werd van het reizen.
“Ik verlang zo naar wat rust, een slok water van de beek,
“Of ik ontdek hier zo dadelijk nog hoe sterfelijk ik ben,
“En gij zult uw geliefde Tiriël verliezen: eilaas, zo zwak ben ik!”

“Onbeschofte booswicht!” zei Ijim, “hou uw welbespraakte glibbermond!
“Tiriël is een koning en gij zijt de belager van Zwarte Ijim.
“Hier, drink wat van de beek en ik zal u op mijn schouders dragen.”

Hij dronk, en Ijim tilde hem op en droeg hem op zijn schouders:
Hij droeg hem heel de dag en kwam zo, toen de avond al haar
statige gordijnen schoof, aan bij ‘t paleis van Tiriël en daar riep hij:

“Heuxos, kom tevoorschijn! Ik heb de duivel hier gebracht die Ijim tart.
“Kijk! herkent gij iets van deze grijze baard, die blinde ogen?
Bij ‘t horen van Ijim’s stem kwamen Heuxos en Lotho tevoorschijn,
En ze zagen hun bejaarde vader op schouders gedragen.
Hun welbespraakte praat viel stil en zweet stond op hun trillende leden:
Zij wisten dat er met Ijim niet te strijden viel en stonden stil gebogen.

“Wel, Heuxos! roep uw vader, want ik wil vanavond met hem spotten.
“Hier is de hypocriet die soms schrikbarend brult als leeuw;
“Dan heb ik hem gekliefd en liet hem rotten in het woud
“Als vogelvoer; maar ‘k was daar amper weg of daar was hij
“Als een tijger nu, en dus doorkliefde ik hem ook;
“Toen wou hij mij als een rivier verdrinken in zijn golven;
“Maar al snel kon ik de vloed doorstaan: aanstonds was hij wolk
“Afgeladen met bliksemzwaarden, maar ook die wrake kwam ik door;
“Dan sloop hij als een slang om terwijl ik sliep mijn nek te wurgen
“Maar ik kneep zijn giftige ziel plat. Toen kwam hij als een pad
“Of als een salamander om in mijn oor te fluisteren
“Of hij  stond plots als een rots op mijn weg, of als een struik vergif.
“Uiteindelijk ving ik hem, vermomd als Tiriël, blind en oud,
“En zo zal ik hem houden! haal uw vader vlug, haal Myratana!”

Ze stonden te dralen, en aldus verhief Tiriël dan zijn zilveren stem:

“Slangen, geen zonen, wat staat gij daar te staan? haal Tiriël toch!
“Haal Myratana naar hier! en geniet volop van jullie spot
“Want arme blinde Tiriël is hier en zijn vaak belaagde hoofd
“Is klaar voor jullie bittere gehoon: komaan, gij zonen van de vloek!”

Ondertussen liepen ook de andere zonen van Tiriël rond hun vader,
Bedeesd voor Ijim’s vervaarlijke kracht: zij wisten dat noch speer noch schild
Van enig nut waren tegen hem als hij zijn machtige armen zou strekken,
En evenmin de ijzeren maliën; de pijl sprong van zijn lijf
Terug en op zijn naakte vlees brak zelfs het scherpste zwaard.

“Dus, het is waar, Heuxos, dat gij uw oude vader overgeleverd hebt
“Aan de nijd van winterwinden?” (zei Ijim), “is dat zo?”
“Gij oogloze duivel en gij huichelaars! Is dit nog Tiriël’s huis?
“Het is zo vals als Matha en zo duister als verlaten Orcus.
“Scheer u weg, gespuis! want Ijim zal met geen hand u slaan”

Met deze woorden draaide Ijim zich om, en zwijgend zocht hij
Weer de donk’re wouden op en zwierf de nacht door op troosteloze paden.

(vert.: dv)

dv2019 – “This is the hypocrite that sometimes roars a dreadful lion” – A4

over TIRIEL https://en.wikisource.org/wiki/Tiriel

BLEEK 
is een NKdeE Verschrijf- en Kliederprogramma in Ontwerpfase. 
vertaalcommentaar, opmerkingen en suggesties zijn welkom als reactie hier, op FB of via mail

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.