LAIS CXCIV

voor n.l.

In het grote woordeloze Niets van haar,
in d’oceanen duister in haar ogen,
haar donker-volle blik  maakt alles waar
en het kwaad vergaat tot onvermogen:
want sprakeloos maakt haar mededogen,
de warme vloed die het van het ontdoet,
en ’t vuur vertedert tot een diepe gloed.
en in het diepste zwart gaat schel dan aan
haar ene licht dat het verblinden moet,
opdat het ziende in haar Niets kan staan.

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CXCIV