LAIS CXCVI

’t Heeft het nodig om haar lief te hebben
in de gloed van haar aanwezigheid.
Het wordt een zee die niet wil ebben,
een strand bevroren in de eeuwigheid
van dat verlangen naar haar helderheid.
Het staat hier stil te beven in het vuur:
het kent geen waar meer, hoe of om welk uur,
en vangen niet in haar die vlammen aan?
Haar klaarte is een nu van zulk een duur
dat er millennia tot tel vergaan.

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CXCVI