Barthes over Réquichot (1)

Barthes-Réquichot (2)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.
Hier, 1581029022327 ms, bij het begin van een Neo-Kathedraalse lezing van dat werk, de eerste ‘unité’ van Barthes al in een subsidievrije vertaling.

het lichaam

van binnenuit

Veel schilders hebben het menselijk lichaam gereproduceerd, maar dat lichaam was steeds dat van de ander; Réquichot schildert enkel het eigen lichaam: niet het uitwendige lichaam zoals de schilder dat kopieert door zich schuins te bekijken, maar zijn lichaam van binnenuit; zijn binnen wordt een buiten, maar het is dan een ander lichaam, waarvan het heftige ectoplasma bruusk verschijnt door de tegenstelling van deze twee kleuren: het wit van het doek en het zwart van de gesloten ogen. Een uitgeslagen afkeer grijpt dan de schilder aan; die brengt geen ingewanden of spieren aan het licht, maar enkel een machinerie van repulsieve en orgastische bewegingen; het is het moment waarop de materie ( het materiaal) zich opslorpt, zich afzondert in de vibratie, taai of schril: de schilderkunst (laten we dat woord nog gebruiken voor alle vormen van verwerking) wordt lawaai (“De meest extreme scherpte van lawaai is een vorm van sadisme”). Dat exces van de materialiteit noemt Réquichot het metamentale [méta-mental]. Het metamentale is dat wat de theologische tegenstelling tussen lichaam en ziel ontkent, en dus om zo te zeggen van zin ontdoet; het is het geslagen ‘binnen’ als een oorveeg aan het intieme.

Van dan af is de representatie verstoord, de grammatica ook: het werkwoord “schilderen “ [peindre] onthult een merkwaardige dubbelzinnigheid: zijn object (wat men schildert) is enerzijds wat bekeken wordt (het model), anderzijds wat bedekt wordt ( het doek): Réquichot maakt geen onderscheid van object: hij ondervraagt zich in dezelfde tijd dat hij zich veranderd, hij portretteert zichzelf op de wijze van Rembrandt, schildert zich zoals een roodhuid. De schilder is tegelijkertijd kunstenaar (die iets representeert) én een wilde (die zijn lichaam beklad en bekerft).

orig. tekst van Barthes in R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 11

commentaar

het lichaam binnenstebuiten op doek gekwakt onthult het metamentale, een slag in het gezicht van het intieme, het soort beweging waaraan wij heden allen lijken onderhevig te zijn in de exploitatie als ‘gebruiker’, als (een verzameling van) profiel(en).
want de materialiteit van het lichaam ontlokt bij Réquichot existentiêle walging net zoals de omzetting naar doorzoekbare ‘raw data’ van ons meest intieme gedrag onszelf genadeloos toont als schijnbaar willoze maar uiterst destructieve en geheel voorspelbare en dus ook manipuleerbare ‘human agents’.
elke hoogdravende discussie over lichaam en ziel, materialisme of spiritualiteit wordt met een klap overbodig: vergeet wie of wat wij zijn, kijk hoe wij gebeuren, hoe wij onszelf laten gebeuren (en deins terug van wat je ziet).
de mensheid schildert in data (én in pollutie, in de kak die wij aanrichten) haar zelfportret en het aanzien ervan vervult ons met afgrijzen.

in de omslag van deze binnenstebuiten kering lijkt er nergens ruimte voor daadwerkelijke controle, laat staan iets als ‘vrije wil’…wij kunnen niet anders dan ‘de expressie zijn van wat wij zijn’ want er is geen ‘essentie’ die kan sturen of bestuurd (‘misbruikt’ )worden, het enige wat echt gebeurt is wat er gebeurt…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

Barthes-Réquichot (2)>