Barthes over Réquichot (2)

<Barthes-Réquichot (1)Barthes-Réquichot (3)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag de tweede paragraaf van het deel getiteld ‘het lichaam’, waarna je te weten komt wat een ‘reliquare’ is.

de ‘Reliquaires’

Hoewel het dozen zijn op wier bodem ‘er iets te zien is’, lijken de Reliquaires meer op endoscopiemachines. Is dit niet het interne magma van het lichaam dat daar geplaatst is aan het uiteinde van onze blik, als een diep veld? Is het geen barok begrafenisdenken dat de expositie regelt van het eertijdse lichaam, dat van vóór de spiegel? Zijn deze Reliquaires geen open buiken, geen geschonden graven ( “Wat ons van heel dichtbij raakt kan niet publiek worden zonder profanatie”)?

Neen. Die esthetica van het zicht en die metafysica van het geheim worden problematisch van zodra je weet dat Réquichot het verafschuwde om zijn schilderwerk te tonen, en vooral, dat hij er jaren over deed om een Reliquaire te maken. Dat wil zeggen dat voor hem de doos geen (verstevigd) kader was van een expositie, maar eerder een soort tijdelijke ruimte, de omheining waarbinnen zijn lichaam werkte: zich afscheidde, verzamelde, inwikkelde, verspreidde, ontlaadde: zich verlustigde: de doos is het schrijn, niet van de beenderen van de heilige of de kippen, maar van de orgasmes van Réquichot. Zo vinden we aan de kusten van de Stille Zuidzee aloude Peruviaanse tomben waar de dode omringd is met terracotta standbeelden: die beelden niet zijn ouders, niet zijn goden uit maar enkel de zijn geprefereerde manieren om de liefde te bedrijven: wat de dode meeneemt zijn niet zijn goederen, zoals in zovele andere religies, maar de resten van zijn orgasmes

orig. tekst van Barthes in R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 12

commentaar

De Reliquaires (‘relikwiehouders’, ‘schrijnen’) zijn vergaarbakken van behandelde, betastte, beschilderde materie, een langdurig proces van verzamelen en laten inwerken, inrotten van de materialen. Met zijn vriend Dado frequenteerde Réquichot een verlaten slachthuis waar de kadavers en skeletten van de dieren materialen werden voor assemblages. Réquichot nam zijn eerder ontwikkelde bas-relief collagetechniek van de ‘Papiers Choisis mee en kwam zo tot wat hij dan schrijnen noemde, Reliquaires, waar dus ook papier en ander al dan niet geverfd materiaal werd samengebracht

De verwantschap met de Merzbau van Kurt Schwitters is treffend, maar deze werken zijn intiemer, meer lichamelijk en de verrotting is niet het resultaat van maatschappelijke verwerping, het is geen vergaard afval dat onmiddellijk refereert naar een verloren objectstatus, als er wat herkenbaars in rest is het vaak eerder dierlijk, vegetatief of zelfs menselijk…

Bernard RéquichotLa Maison du Manège Endormi, Reliquaire, 1959, 110x77x52 – uit R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (1)Barthes-Réquichot (3)>