Barthes over Réquichot (3)

<Barthes-Réquichot (2)Barthes-Réquichot (4)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag paragraaf 3 van ‘het lichaam’, over de tong…

de tong

In bepaalde collages (omstreeks 1960) komen er in overvloed koppen, kelen en tongen van dieren voor: verstikkingsangst, zegt een criticus. – Neen, de tong, dat is de taal: niet de beschaafde spraak, want die passeert de tanden (een gedentaliseerde uitspraak is een teken van distinctie: de tanden surveilleren de spraak), maar de taal der ingewanden, erectiel; met de tong is de fallus aan het woord. In een verhaal van Poe is het de tong van de gemagnetiseerde dode, niet zijn gebit die de onzegbare uitspraak doet “ik ben dood”; de tanden versnijden de spraak, maken die precies, dun, intellectueel, waarachtig, maar langs de tong, omdat die zich strekt en zich opbolt als een springplank passeert alles, mag de taal ontploffen, opspringen, is ze onbeheersbaar: het is op de tong van het gehypnotiseerde kadaver dat de de schreeuw “Dood! Dood!” exploderen zonder dat de magnetiseur ze kan onderdrukken en de nachtmerrie doen ophouden van deze dode die praat; en het is ook, lichamelijk, op het niveau van de tong dat Réquichot heel de taal in scène zet: in zijn lettristische gedichten en in zijn museumcollages.

commentaar

zoals Barthes het stelt doet het taalbegrip bij Réquichot ons welhaast atavistisch aan, het herinnert ook aan de primitieve schreeuw van de waanzin bij Artaud. we zijn hier medunkt toch ver verwijderd van Isou’s doldraaiende theorievorming in diens lettrisme.

de wijze waarop je het ziet gebeuren bij Réquichot bevestigt dan ook de Neo-Kathedraalse, devolutionaire visie op het ontstaan van de taal als een verwording, een degradatie van de dierlijke schreeuw. de taal is de geinstrumentaliseerde schreeuw van het onmachtige dier dat mens werd. de taal als cognitieve klauw van de mens als het meest wreedaardige roofdier ons bekend.

primair, letterlijk, in de chronologie van de devolutie, is de manipulatie van de luchtstroom van de schreeuw door middel van de tong, de wijze waarop klinkers gevormd worden.
secundair zijn inderdaad de dentale of gutturale stops en de fricatieven die de geproduceerde klankstroom verder verfijnen, verkappen, verdelen, digitaliseren*.
zo wordt de kwaliteit van het gebeuren, hoe het gebeurt, het klinken ervan geleidelijk aan onderscheiden, gekwantificeerd in een voortschrijdende verrotting, een differentiedwang die ‘betekenis’ geeft en eist en van de schreeuw een schrander talig instrument maakt, het begin van de taal als technè, als taaltechniek.

zo bekeken grijpt Réquichot in zijn werk terug naar een mythisch verleden, een onbereikbaar eerder stadium dat hij wel kan zichtbaar maken in de dierlijke kadavers, want in de gang van het Rot is het uiteraard zo dat elke verdere devolutie de eerdere en hogere diersoort wil onderwerpen of doden.
valt ook zo de menselijke soort niet ten prooi aan haar bovenmenselijke verwording, de oorlogsmachine en de geïnformatiseerde, oncontroleerbare ‘vrije markt’?
in ieder geval demaskeert Réquichot zo de beschaving als een wreedaardige en beklemmende degeneratie die enkel de spasmodische walging als verweer toelaat.

*het prioriteren van de dentale medeklinkers in dit verhaal lijkt mij een wat verregaande ingreep die Barthes aanwendt om de tegenstelling tong-tand uit de verf te laten komen. ik denk dat Réquichot eerder op de tong focust omdat die visueel en gevoelsmatig meer visceraal en ‘dierlijk’ is dan het gebit. in de Franse taal zijn dentale medeklinkers misschien te associëren met ‘hogere beschaving’ in andere niet-Westerse talen zal dat minder makkelijk vol te houden zijn

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (2)Barthes-Réquichot (4)>