Barthes over Réquichot (4)

<Barthes-Réquichot (3)Barthes-Réquichot (5)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. We gaan die rotteksten er hier terug uitvissen, afspoelen met nat Nederlands en zeggen wat we zo te zien krijgen…

Vandaag over Réquichot’s gebruik van de collage en het raadselachtige fenomeen van de Rattenkoning

de Rattenkoning

Het onderzoek van Réquichot brengt hem bij een beweging van het lichaam die ook Sade fascineerde (maar niet de sadistische Sade), namelijk de walging: het lichaam begint te bestaan daar waar het zich afkeert, walgt, maar toch wil verslinden wat het verafschuwt en het exploiteert die smaak voor de afschuw, stelt zich zo bloot aan een duizeling (de duizeling is dat wat niet eindigt: het doet de zintuigen afhaken, stelt het uit naar later).
De fundamentele vorm van de walging is het agglomeraat; het is niet zomaar, door eenvoudig technisch onderzoek, dat Réquichot tot de collage komt; zijn collages zijn niet decoratief, ze juxtaponeren niet, ze conglomereren, omvatten enorme oppervlakten, verdikken zich in volumes; in één woord, hun aard is etymologisch, ze nemen de ‘colle’ van de origine van hun naam letterlijk; wat ze produceren is het glutineuze, de voedzame pek, weelderig en weerzinwekkend, daar waar de opdeling zich opheft, t’is te zeggen het benoemen.

Rattenkoning uit het Museum Mauritianum in het Duitse Altenburg, bestaande uit 32 in elkaar verstrikte ratten. Door Photographed at Naturkundliches Museum Mauritianum Altenburg, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=470245

Een nadrukkelijke omstandigheid daarbij is dat het dieren zijn die de collages van Réquichot samenplakken. Nu het lijkt er sterk op dat elk conglomeraat van dieren bij ons een paroxisme van walging oproept: krioelende wormen, wriemelende slangen, wespennesten. Eén fabelachtig fenomeen (is het al wetenschappelijk verklaard? Ik weet het niet) vat heel die horror van de dierlijke samenklontering samen: de rattenkoning: “in de vrije natuur – zo zegt een oud zoölogisch woordenboek – vallen de ratten soms ten prooi aan een zeer eigenaardige ziekte. Een groot aantal raakt verstrikt met de staart en vormen zo wat in de volksmond heet een rattenkoning… De oorzaak van dit merkwaardige feit is ons nog onbekend. Men neemt aan dat het een bijzonder secretie van de staart is die deze organische verbinding samenhoudt. In Altenburg wordt een rattenkoning van zeventwintig exemplaren bewaard. In Bonn, te Echnepfenthal, in Frankfurt, Erfurt en Lindenau, bij Leipzig, heeft men soortgelijke groepen gevonden”. Requichot blijft deze rattenkoning metaforisch schilderen, blijft deze collage die niet eens een naam heeft plakken; want wat er bestaat voor Réquichot is niet het object, zelfs niet het effect daarvan, maar zijn spoor: laten we dat woord in zijn locomotorische zin begrijpen: uit de verftube geknepen is de worm zijn eigen spoor, veel walgelijker dan zijn lichaam.


commentaar

het lijkt er sterk op dat Roland Barthes, de vader van de dode auteur, nog te zeer vast zit in het ontologische dictaat om te zien dat het Réquichot niet eens om het materiële (verhandelbare) spoor van zijn creatieve handelingen te doen is, maar dat de fascinatie de handeling zèlf betreft. vandaar ook de natuurlijke gène om de resten van zijn intieme creaties te tonen, allicht ook de auto-destructieve walging van de eigen handelingen.

op dit punt moet onze lezing onderzoeken of het creatieve échec van Réquichot niet te wijten zou kunnen zijn aan de ontologische beklemming zelf, en misschien kunnen we de existentiële walg en angst (Sartre) ook gaan lezen als een eindpunt van de ontologische degradatie in het na-oorlogse fallocratische denken die dan leidt tot de befaamde contestatie daarvan eind jaren ’60 die volgt op het koloniale débacle dat het geruineerde Europa afsnijdt van de onmiddellijke bron van haar weelde. walgt gans het oude Europa niet collectief van het Zijn zelf, en van zijn zijn in het bijzonder? het schouwspel wordt er nadien en tot op heden zeker niet smakelijker op…

soit. Barthes is een degelijke structuralist, hij wil ‘begrijpelijke’ structuren dus hij spreekt dan ook heel erg ontologisch reducerend van het agglomeraat als ‘de fundamentele vorm van de walging’* . De walging is natuurlijk geen ding, zelfs geen vorm: de walging is het walgen, het gebeurt, dus als je de walging wil ‘begrijpen’ moet je haar zien gebeuren, desnoods als een geheel van bewegingen, als een tactiele en emotionele verknoping van intensiteitsschommelingen. Réquichot’s onderzoek begrijpt dat en laat het gebeuren in zijn praktijk: zijn creatieve praktijk is een laboratoriumopstelling van de walging zoals ze gebeurt en zijn werk is wat er rest van zijn ervaring van dat gebeuren…

het is dan ook heel toepasselijk dat Barthes het begin van de walging laat samenvallen met het eindpunt van het benoembare, wat ons bij de geheel retorische vraag brengt of het asemische misschien het kind is van deze moeder van het abominabele…


*”La forme fondamentale de la répugnance est l’agglomérat”

Bernard Réquichot – Cat. rais. #359 – Papiers Choisis (1959) – 205×152 cm

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (3)Barthes-Réquichot (5)>