Barthes over Réquichot (5)

<Barthes-Réquichot (4)Barthes-Réquichot (6)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. We vissen die wegrottende teksten er hier uit, spoelen ze af met nat Nederlands en beschrijven wat de wassing ons onthult.

Vandaag over een zich oprichtende en verstijvende beweging en wat daar zoal op volgen kan…

de erectie

De walging is een panische erectie: het hele fallus-lijf zwelt, verhardt en zakt weg. En het is dat wat het schilderen doet: het windt op. Misschien raken we hier aan een onherleidbaar verschil tussen het schilderen en het discours: het schilderen is vol; de stem daarentegen maakt in het lichaam een afstand, een holte; elke stem is wit, komt er niet toe zich te kleuren zonder meelijwekkend gekunstel. We moeten dus Réquichot’s verklaring letterlijk nemen als hij zijn werk beschrijft, niet als een erotische daad (wat banaal zou zijn) maar als een erectiele beweging en wat daarop volgt: “Ik heb het over dat eenvoudige ritme dat maakt dat voor mij een doek langzaam begon en dan meer en meer aantrekkelijk werd en mij in een passioneel crescendo bracht tot een bruisen van de orde van een orgasme. Op dat hoogtepunt liet het schilderen mij achter, als het al niet zo was dat ik zelf met de beperkingen van mijn kunnen moest loslaten. Al wist ik dan dat mijn schilderen beëindigd was, mijn nood om te schilderen was dat niet en dat paroxisme werd gevolgd door een grote ontgoocheling.” Het oeuvre van Réquichot is deze erectiestoornis van het lichaam (wat hij soms benoemt met hetzelfde woord waarmee sommigen de aandrang beduiden, als drift [dérive]).

de oorspronkelijke tekst van Barthes in de Catalogue Raisonné van 1973

commentaar

deze korte beschouwing van Barthes laat weinig aan de verbeelding over: Réquichot schaamt zich voor zijn schilderen zoals een man zich schaamt die Het niet (langer) klaarspeelt.
het betekenen is teruggebracht tot de gebaren, wat een opwindend gebeuren blijft, maar het gebeuren is helemaal onvruchtbaar geworden, het brengt niets meer tot stand, het leidt nergens toe, maakt geen betekenis meer aan, produceert geen ‘zijn’ meer. geen enkele verhullende esthetica kan nog verbergen dat wat men doet niet langer doordringt tot wat men klaar wil krijgen: een glorieuze verheerlijking van de fallocratische orde, de inrichtende macht. het volk grolt en schatert en organiseert haar eigen schuif- en schranspartijen in de warm-slijmerige rotresten van het continentaal verspreidde Lijk van God.
in de boekenwinkels gaan een na een de boeken toe, en de schilders worden xerox-deskundigen, designers of installateurs van eigen schertsvertoon.
de fameuze fallische stilus van Derrida laat het afweten, de mancave van Plato is ingestort, er komt enkel nog viezigheid bovendrijven in de restenbak, de Reliquaire van de Schepper
eindigt het verhaal van de West-Europese kunst zo niet als de climaxloze pornografie van het Rot? wordt de ‘Kunst’ niet Kunstmatig rechtgehouden door de commercie? is heel het Kapitale Kunstgedoe niet al een jaar of zestig geheel fake, slappe lulkoek? of anderszins de machinale viagra-fuck van een gevoelloos zwart gat in de markt?

Dit artikel maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot. Een NKdeE-Lezing is een programma dat de nalatenschap van een dode auteur bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (4)Barthes-Réquichot (6)>