Barthes over Réquichot (7)

<Barthes-Réquichot (6)Barthes-Réquichot (8)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag, in deel 3, paragraaf 1 gaat het op sappige wijze over de keuken als mythische oorsprong van de schilderkunst…

de keuken

de voedingstoffen

Hebt u ooit raclette zien bereiden, de Zwitserse schotel? Een halve bol vette kaas wordt verticaal boven de gril gehouden; het bruist, puilt uit, sist in slierten; het mes schraapt deze vloeibare blazen zachtjes op; het valt, als een witte koeienvla; het kleeft ineen, vergeelt op het bord; met het mes vlakt men de geamputeerde sectie uit; en men begint opnieuw.
Aldus verloopt, strikt genomen, een schilderkunstige operatie. Want net als in de keuken moet men in de schilderkunst ergens iets laten vallen : het is in die val dat de materie transformeert (zich vervormt): dat de druppel zich verspreidt en het voedsel mals wordt: er is productie van een nieuwe materie (de beweging creëert de materie). In het werk van Réquichot zijn alle staten van de voedzame substantie (ingevoerd, verteerd, afgevoerd) aanwezig: het gekristalliseerde, het gebarstene, het pezige, de klonterige pap, de verdroogde uitwerpselen, lijkbleek, de olieachtige moire, de sjanker, de spetters, de ingewanden. En als kroon op dit waanbeeld van de schaal van de spijsvertering wordt de materiële origine van de grote collages, de laatste Reliquaires ronduit alimentair, gehaald uit huishoudelijke magazines: ziehier de Frans-Russische nagerechten, de pasta’s, de gesneden aardbeien, de worsten (vermengd met haarwrongen, met hondensnuiten); maar het is de ingreep die culinair is (en picturaal): het strooisel, het kluwen, de stoofpot (op symmetrische wijze is de japanse sukiyaki een schilderen ontwikkeld in de tijd).

Réquichot plaatst ons hier terug bij een van de mythische bronnen van de schilderkunst: de helft daarvan behoort toe aan de orde der nutriënten (ingewanden). Om de alimentaire sensualiteit van het geschilderde ding te doden, moet men de schilderkunst zelf vaarwel zeggen: je kan het artikel Thing van Joseph Kosuth niet opeten of uitbraken; maar er is ook geen schilderen meer (geen enkele toest, geen kras): de hand van de schilder en die van de kok zijn tegelijk geamputeerd. Réquichot daarentegen, hij is nog wel een schilder: hij eet (of eet niet), verteert zich, braakt zich uit; zijn verlangen (te schilderen) is de zeer grote mise en scène van een behoefte.

de originele Franse tekst van Barthes in  R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 16

commentaar

ja. het had gekund. Réquichot zou niet in een geïsoleerd kasteel aan de rand van het woud kunnen zijn opgegroeid, geheel niet omringd door beweeglijke spoken, noch door schattige demonen of het ruisen van de zwarte rokken der duistere hermafrodieten*.
Bernard zou zich vervolgens geheel netjes hebben kunnen verlustigen in een verheerlijking van het eetbare en van de vele sensuele handelingen die met de bereiding daarvan gepaard gaan. het had zomaar gekund dat deze narcistische neuroot ons terugbracht naar de mythische origine van de schilderkunst en ons weer laat kennismaken met de vele geneugtes van de picto-culinaire bereiding van het stoffelijke, het ideële en het animale kadaver…

maar één blik op het werk van Réquichot verwijst dergelijke analyse met zware braakneigingen naar de reeds druipende prullenmand: Réquichot is ontegensprekelijk gewoon de schilder van het Rot, de meester van de putrificatie, de illustrator van de ontbinding, de regisseur van het infectueuse slijm, de aanstekelijke walm, het stinkende pus waarin triomfeert het bleek glanzende bot.
wat Réquichot aan culinairs verwerkt in zijn collages is louter reliëf om de walging die de resten van zijn ingrepen opwekken des te effectiever laten toe te slaan. Réquichot schildert het Rot niet, hij laat het gebeuren, richt het in, stelt het aan zichzelf en zichzelf genadeloos eraan bloot en beleeft het tot op het bot.

is het omdat Barthes hier effen niet verder wil denken dan het niveau van de dingen, de woorden en de categorieën daarvan dat hij dit niet kan zien misschien, niet wil zien zelfs, maar vooral niet kan uitspreken? want het uitspreken van deze evidentie kan enkel een ‘amen’ zijn bij de wanhoop die Réquichot uitademt, uitstraalt, beleefde als schilder, als auteur en als mens, een wanhoop die hem tot zelfmoord noopte.

de vader van de dood van de auteur kan de eigen dood, de ondergang zoals Réquichot die voor hem uitbeeldt, uitleeft enkel als onaanvaardbaar omwerken tot een picturaal-culinaire bereidingswijze, een artistieke trukendoos van een Piet Huysentruyt avant-la-lettre! soyons serieux, zegt Roland met de sigaar, daar gaan we het niet over hebben, het moet wel plezant blijven è….

deze blote ontkenning in het nochtans bijzonder geurige licht van de evidente ondergang, het grandioze failliet van de West-Europese Kunst qua Kunst, dit straal negeren van wat het kleinste kind kan zien, deze veronachtzaming van heel het letterlijk, woordelijk neergeschreven denken van een – we zullen het later samen uitroepen – vrij geniale auteur, schaamteloos neergepend in een bijzonder prijzig boek van de pauselijke bourgeoisuitgever Weber zal de volgende zevenenveertig jaar het ‘artistieke discours’ blijven bepalen, en hoogstwaarschijnlijk nog ettelijke jaren nadien. dit intellectuele schertsvertoon is exemplarisch voor 5 decennia ‘kunstkritiek’, het strekt tot voorbeeld. zo los je dit soort gênante dingen op.

aja, het is wel Roland Barthes è, die het zegt! en ochot, de tekst in zo’n Kunstboek, wie leest dat nou, ooit? en wie zou dat dan ooit nog ’s lezen zoals Faustus las en zoals ongetwijfeld ook Réquichot las: ‘au bout’?**


*zie het begin van de Faustus in Bernard Réquichot, Ecrits divers, ISBN 2-84066-070-9, p. 13
**” pendant que je faisais cet inventaire, il [Faustus] se repliait sur lui-même. Revenant à la table, je lui dis: “Vous ne lisez pas beaucoup.” Lui, de répondre: “Non, mais je lis jusqu’au bout.” Ce “jusqu’au bout” semblait le peindre tout entier, mais qu’était-ce que ce bout?”
Faustus, Trois Fragments, in Bernard Réquichot, Ecrits divers, ISBN 2-84066-070-9, p. 18

Dit artikel maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot. Een NKdeE-Lezing is een programma dat de nalatenschap van een dode auteur bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (6)Barthes-Réquichot (8)>