Barthes over Réquichot (8)

<Barthes-Réquichot (7)Barthes-Réquichot (9)>
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

In het tweede deel over de keuken als mythische oorsprong van de schilderkunst leren we dat het Réquichot niet om het eten te doen was maar om waarheen het eten ging…

geen metafoor

We zouden altijd kunnen beweren dat de voeding het neurotische centrum van Réquichot was (hij hield niet van rood vlees en hongerde zichzelf uit), maar dat centrum is onzeker. Want van het ogenblik dat de voeding in zijn traject wordt verbeeld, van inname tot excrement, van de mond (degene die eet maar ook degene die gegeten wordt, de snuit) tot de anus, verplaatst de metafoor zich en verschijnt er een ander centrum: de holte, de innerlijke schede, het reptiel van de ingewanden is een immense fallus. Ook, tenslotte, wordt het thematische onderzoek vergeefs: we begrijpen dat Réquichot maar één ding zegt en dat is de ontkenning van elke metafoor: het gehele lichaam is in zijn binnen; dat interne is dus tegelijk erotisch en digestief. Een inhumane anatomie beheert het orgasme en het werk: deze anatomie vinden we terug in de laatste abstracte objecten die Réquichot produceerde: het zijn (elke abstractie lijkt ergens op) schelpen die in zich de grafiek van de spiraal (thema van het schrift) en de digestieve dierlijkheid verenigen, want deze weekdieren (napslakken, fissurella’s, ringwormen voorzien van locomotorische borstels) zijn buikpotigen: als ze lopen is dat met hun maag: het is het interne (het interne, niet het intieme) dat doet bewegen.

de originele Franse tekst van Barthes in  R. Barthes, M. Billot, A. Pacquement: Bernard Réquichot, Bruxelles 1973 p. 17

Commentaar

bon, we begrijpen het wel: het is 1972-73, Barthes heeft net met “Sade, Fourier, Loyola” een meesterlijke studie over de buitensporigheid van de schriftuur afgeleverd: als er iemand het enigma van Réquichot kan verklaren voor zijn tijdgenoten moet hij het wel zijn. het is onder die druk, in die bewonderenswaardige ijver om te verklaren, én op dat moment geheel onmogelijk voor hem om te zien wat zich nu en voor ons zo evident aandient; de reductie tot de gereïficeerde mythen van de psycho-analyse, de pogingen om de artistieke status van de vertoonde walging te redden van haar eigen gebeuren, de vlucht in de verleidelijke maar o zo verderfelijke weelde van de eigen taalbeheersing, we kunnen het Barthes zeker niet aanrekenen. overigens: hoe meer onnutte verdingelijkingen hij op en rond het snel wegdeemsterende gebeuren van Réquichot legt en bouwt, hoe beter hij het gebeuren zelf bewaard, want het gebeuren van Réquichot is viraal van aard en heeft een stevig onderstutte incubatieperiode nodig. gehad.

eens we de worm van het gebeuren terug kunnen activeren zal Réquichot al deze vergeefse craquelure als zanderige korsten van zich af doen stuiven, maar we moeten Barthes wel dankbaar blijven dat hij zijn onmachtige ‘begrijpen’ van de werking van Réquichot zo nauwgezet en minutieus heeft verwoord.

toch moeten we ook expliciet zijn in de negatie: Réquichot produceerde niet, Réquichot zei geen ding, il n’a jamais dit aucune chose.
want wat hebben we hier?
we hebben hier een man die van kindsbeen af leefde in het onbegrip van de ander, die enkel in zichzelf vertrouwde als onderzoeksbasis en als onderzoeker van het gebeuren dat hem beheerste, dat hij ‘was’.
we hebben hier een man die zich schaamde voor wat er restte van zijn orgastische geschilder, iemand die op de vooravond van de opening van een belangwekkende expositie van zijn ‘productie’ liever uit het raam sprong dan iets als ‘artistiek succes’ te moeten ondergaan.
we hebben hier een door walging gedreven gebeuren dat leed en wanhopig werd aan en van het gebeuren, een gebeuren dat aan zichzelf ten onderging omdat er nu eenmaal aan het Gebeuren geen ontsnappen is.
we hebben hier een uitdrukking, de heel erg tijdige (niet premature zeker niet maar ook voortijdige, of ‘visionaire’ of enige andere tijdsverdraaiing uit de Hegeliaanse bezemkast van onze rotromantiek, nee Réquichot kwam gewoon op tijd zoals alles altijd ‘op tijd komt’: alles komt op haar tijd), maar deels nog onbewuste expressie, het relaas-van -het-gebeuren-terwijl-het-gebeurt (Barthes zegt het zelf nochtans: de worm uit de verftube die spoor, expressie van zichzelf is) van wat wij nu als soort beleven: de beweging van het binnenstebuiten gekeerd te worden, de grote (flip-)FLOP van de mensheid…

we moeten Barthes dus enorm dankbaar zijn dat hij zo meesterlijk faalde om te zien wat er werkelijk met Réquichot gebeurd is, hoe Réquichot nu voor ons gebeurt, want, dat is althans mijn intentie, wij zullen dankzij dat falen kunnen zien op welke manier de manhaftig doorstane lijdensweg van Bernard Réquichot ons een troost en inspiratie kan zijn in wat er ons allen heden en morgen te beurt valt…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.