Barthes over Réquichot (11)

<Barthes-Réquichot (10)Barthes-Réquichot (12)>
//Réquichot Rotbak dag 9 + schors, blaadjes (1met spinnennest),haarlak
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Reikhalzend keken we uit naar het hoofdstuk over het schrift als tweede mythische origine van de schilderkunst, na het culinaire voorgerecht. Vandaag is het er, maar is het wel een hoofdschotel…?
[noot: de verwijzingen naar Wikipedia in de vertaalde tekst zijn uiteraard van de vertaler]

het schrift

de spiraal

Waar komen de letters vandaan? Voor het ideografisch schrift is dat eenvoudig: ze komen van de ‘natuur’ (van een man, een vrouw, de regen, de berg); maar kijk: het zijn dus dadelijk al woorden, lexemen, geen letters. De letter (onze letter, de Fenicische) is een vorm zonder betekenis: dat is zijn eerste definitie. De tweede is dat de letter niet geschilderd is (afgezet, neergelegd), maar gekrast, gekrabd, met een punt aangebracht; de referentiekunst en haar origine is niet de schilderkunst, maar de glyptiek.

In het werk van Réquichot verschijnt de semiografie zonder twijfel rond 1956, wanneer hij met een veer (let op het instrument) trossen gekrulde strepen tekent: het teken, het schrift arriveert samen met de spiraal die zijn werk niet meer zal verlaten. De symboliek van de spiraal staat haaks op die van de cirkel; de cirkel is religieus, theologisch; de spiraal, als cirkel uitgezet op het oneindige, is dialectisch: op een spiraal keren de dingen weer, maar op een ander niveau: er is terugkeer in de differentie, geen herkauwen van de identiteit (voor Vico, een stoutmoedig denker, volgt de loop van de wereldgeschiedenis een spiraal). De spiraal regelt de dialectiek van het oude en het nieuwe; dankzij de spiraal zijn we niet verplicht te denken alles is al gezegd of er is nog niets gezegd, maar eerder: niets is eerst en toch is alles nieuw. En dat is wat op zijn manier de spiraal van Réquichot doet: door zich te herhalen verplaatst ze zich. Hetzelfde gebeurt er in de poëtische taal (ik bedoel: prosodie en/of metriek): omdat de tekens van die taal in hoeveelheid heel beperkt zijn en de vrije combinatie eindeloos bestaat de nieuwigheid, meer dan elders, uit erg strakke herhalingen. Op dezelfde wijze exploderen de spiraalcomposities van Réquichot (laat ons als voorbeeld ‘La guerre des nerfs’ nemen) naar alle kanten vertrekkende van één element dat herhaald en verplaatst wordt, de veer (hier verbonden met strepen, stengels, plassen), ze hebben dezelfde explosieve verwekkingswijze als de poëtische frase. De spiraal was duidelijk voor Réquichot een nieuw teken waarop een het ontdekt was hij een nieuwe syntaxis kon bouwen, een nieuwe taal. Deze taal is gelijk – en in daarin is het een schrift- altijd bezig zich te maken: de spiraal is zeker een teken op zich maar dat teken heeft een beweging nodig om te bestaan, en dat is die van de hand: in het schrift is de syntaxis, de inrichter van alle betekenis, in essentie het wegen van de spier – van de meta-spier, zou Réquichot zeggen; het is van het ogenblik dat hij doorweegt (zij het met de grootste lichtheid) dat de schilder intelligent wordt; zonder dat gewicht dat voortschrijdt ( dat wat met ‘traceren’ noemt) blijft de picturale (of grafische) trek dom ( de domme streep is degene die men zet om te gelijken of die men zet om niet te gelijken: bijvoorbeeld de lijn die golft opdat ze niet op een simpele rechte zou lijken. Wat maakt dat het schrift, uiteindelijk, geen teken (analytische abstractie) is, maar, heel erg paradoxaal, de cursiviteit van het discontinue (dat wat zich herhaalt is noodzakelijkerwijs discontinu). Maak een ronde: je produceert een teken; maar verplaats die, met je hand nog rustend op dezelfde receptieve ondergrond: je brengt een schrift voort : het schrift, dat is de wegende hand die voortgaat en trekt, altijd in dezelfde richting, kortom de ploegende hand die ploegt (vandaar de rurale metafoor die het boustrofedon benoemen als het heen-en-weer gaan van de ossen op het veld. De lichamelijke betekenis van de herhaalde spiraal is dat de hand het papier nooit verlaat tot er een zeker genot is uitgeput (de betekenis wordt overgedragen naar de algemene figuur: elke tekening van Réquichot is nieuw).

commentaar

hoewel het misschien zwaar teleurstelt is dit stukje tekst van Barthes een hele kluif voor mij 1) omdat het een prachtexemplaar is van de verwaarlozing van ‘het schrift als schrift’ in de (niet alleen recentere) theorievorming en 2) omdat ondanks alle misvattingen Barthes toch enkele zinnige dingen aanbrengt

de inleidende paragraaf heeft al het duistere specialisme van de rolzegelkunde (glyptiek) nodig om de totale onwetendheid omtrent de oorsprong van het schrift te verbergen. de humane activiteit, het geheel van handelingen (letterlijk è: handeling! let op het instrument!) de basis voor heel onze cultuur is volgens Barthes gebaseerd op een zinloos teken, en de letter en al dat gekras op klei en papyrus komt voort uit de nobele kunst van het zegeldrukken.

bon, laten we toch duidelijk wezen: los van de uiterst simplistische voorstelling van het ideografisch schrift, het schrift, ons schriftsysteem werkte aanvankelijk naar alle waarschijnlijkheid op basis van herhaalde GEBAREN waarvan de sporen herkenbaar zijn als herhaling van hetzelfde GEBAAR. vanuit die gestiek, die zich gelijklopend met de gestiek van het TELLEN ontwikkeld heeft, werd het communicatieve krassen en kerven (talloze keren op verschillende wijzen want het schrift werd niet een keer maar ettelijke keren op verschillende plaatsen ‘uitgevonden’ om dan weer in onbruik te raken, een complexe evolutiegeschiedenis afhankelijk welke cultuur er wanneer de dominante was) vereenvoudigd en geuniformiseerd tot een communicatief tekenstelsel waarbij het GEBAAR van de letter soms veel, soms in het geheel niets van zijn klankwaarde behoudt.

huh? klankwaarde? welja : de motoriek van het handgebaar waarmee de letter wordt gevormd heeft een sterke neurologische band met de gesimuleerde mondbewegingen in de hersenen: de samenhang tussen letter en klank is dus een samenhang in de beweging, daar komt geen betekenis in de enge zin aan te pas want die semantische ‘betekenis’ is een veel trager cognitief proces dan de snelheid waarmee het visueel-motorische feedbacksysteem werkt.
betekent dat dan dat de schrifttekens, de letters geen zin hebben? ah neen: hun heel erg specifieke zin, hun ‘betekenis’ is hun functie, en die ligt in de codering van de beweging, het zijn ‘betekenaars’ maar dan in neurologische zin: ze initiëren in de hersenen immers de motorische klanksimulatie, een gebeuren dat kan resulteren in daadwerkelijk stemgebruik, maar dat net zo goed ‘stil’ kan plaatsvinden. in een erg ontwikkelde leescultuur als de onze (waarin we razendsnel ondertitels kunnen lezen, nog) kan die motorische simulatie het best zonder motorische uitvoering stellen: wij kunnen ‘stil’ lezen. in een minder ontwikkelde leescultuur zoals de Romeinse ‘konden’ de mensen dat niet omdat ze die gewoonte niet hoefden te ontwikkelen, hun cultuur was nog veel hoger, minder complex en rotter dan de onze, dus zij hoefden nog niet ‘stil’ te kunnen lezen.

ja idd.: die oude Grieken, die Romeinen, stop ze geen smartphone in hun pollen want dat wordt een gekwetter van jewelste in het Colliseum: als die mensen iets lazen, lazen ze het luidop! net zoals kindjes geen f kunnen lezen zonder ‘fe’ te zeggen. zijn wij daarom ‘geavanceerder’? we zouden het willen zijn, maar de feiten vertellen ons dat we er eerder erger aan toe zijn.

nu, we zullen hier niet dieper ingaan op het waarom van het onbegrip en de eeuwenlange verwaarlozing van het schrift, die redenen lijken erg complex maar ze zijn allemaal vrij makkelijk terug te voeren tot het Westerse superioriteitsdenken en zijn grote broer, de fallocentrische almacht van het Zijn en de Dingen in onze stuiptrekkende cultus daarvan, een geheel van slechte gewoontes die je nauwelijks nog ‘cultuur ‘ kan noemen. Barthes is hier gewoon kind van zijn tijd, zoals wij dat helaas allemaal zijn.

een heel erg snugger kindje wel, en dat maakt het alsnog boeiend, zelfs al slaat hij de bal rats uit het Court Central, zelfs al heeft hij de toen intellectueel erg in zwang zijnde Giambattista Vico nodig om namen droppende zijn schimmige betoog wat op te vijzelen.

want zo belandt hij uiteindelijk dan toch weer in het juiste spoor als hij de spiraal bij Barthes ziet als een taal, een syntaxis die het nodig heeft om te bewegen om ‘zin’ te hebben, en dat het in die zin ook een ‘schrift’ is, een gebeuren van de hand over het papier.

maar zo, anderzijds, etaleert Barthes toch ook heel duidelijk de totaal overbodige complexiteit, die theoretische draak van de ‘cursivité du discontinu’, die eigenlijk de blauwdruk is voor de tonnen aan post-modernistisch draconnerie die na hem over dit soort ‘aporieën‘ is verschenen, want zolang het post-modernistische neuzelaartje van dienst vasthing aan de takken van de essentialistische boom die hem (op)voedde, zolang heeft men dit soort beweging moeten maken om het fictieve Zijn van de Dingen te redden, om te vermijden wat absoluut te mijden was, namelijk de evidentie tonen van de beweging, de beweging niet als een ding, een teken, een symbool of een betekenis te moeten zien, maar gewoon als een bewegen, een gebeuren, dat bewoog, of niet bewoog, dat gebeurde of niet gebeurde*.

en zo, als eerste onder de gevallenen, ziet Barthes dan toch weer dat Réquichot dwangmatig zijn spiraalbeweging volgt tot ze uitgeput is, tot de energie van het bewegen op is en de tekening ‘af’ is, maar kan hij niet inzien, of althans onmogelijk toegeven dat het Réquichot nooit om die ‘tekening’ of dat ‘schilderij’ te doen was, maar om de hem genot (en wanhoop) verschaffende bezigheid, het ‘tekenen’ , het ‘schilderen’ en dat zulks bij Réquichot de vorm aannam van euh, lichtjes pathologisch compulsief gedrag, waar au fond niet zoveel mis mee is, want het was de enige manier waarop het Réquichotsysteem zich kon in leven houden. het is pas wanneer het besef er komt dat er voor hem geen eindpunt is en dat er hem geen begrip is weggelegd, dat al zijn schrijven en tekenen en zijn denken en zijn doen voor de ander onleesbaar is en altijd onleesbaar zal blijven, dat er een finaliteit kan gegeven worden aan dat gedrag, en die finaliteit was helaas ook de dood van de mens Bernard Réquichot.

want dan zou hij moeten zeggen dat Requichot helemaal geen ‘kunstenaar’ wou zijn, en dat heel diens werk de eigen zingeving, de zingeving van ‘dode’ auteur Roland Barthes, totaal onderuit haalt. tja. onderuit gaat ze (nu) toch hoor. plastieken boekske met uw naam als ‘auteur’ op of niet.

wie weet, en ja het is een waardeloze hypothese en ze doet velen allicht onrecht aan, maar toch: wie weet mocht iemand indertijd Réquichot hebben kunnen duidelijk maken dat het oké is om niet te produceren, dat het totaal in orde is om schijnbaar zinloos van de eigen expressie te genieten, zelfs al is die naar alle bestaande normen ‘lelijk’ of zelfs ‘walgelijk’, wie weet hoe lang de hoogst uitzonderlijke bloeiwijze van Bernard Réquichot nog had kunnen standhouden…elke vorm van humane expressie is immers evenwaardig en elke uiting is meteen ook een uiting waar elk individu recht op heeft omdat we die expressie allemaal evenzeer nodig hebben om gezond te blijven...

maar ja, tja als je een systeem gaat uitbouwen en willen in stand houden als ‘hoge cultuur’ , een systeem dat sommige vormen van expressie gaat belonen met honderden, duizenden, miljoenen dollars en dat iedereen die als bij wonder niet de juiste gebaren op het juiste moment stelt om aan de vereisten daartoe te voldoen, dat je al die tienduizenden mensen dan een gevoelen van falen en mislukken gaat in de schoenen schuiven, dat je hen als mislukkelingen gaat uitkotsen en dat je die enkele paljassen met de juiste moves dan wel als een haas van de volslagen fictieve genialiteit laat opdraven in de media, ja, dan blijft er van dat gezonde in en van de creativiteit niet veel meer over…



*Als je de naam Giambattista Vico laat vallen, kan je misschien ook diens ‘Verum factum’ overwegen: als het gebeurt, gebeurt het en als het werkt is het goed (voor waartoe het dienen moet). Veel meer dan een update van Ockham’s scheermes is dat niet…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (10)Barthes-Réquichot (12)>