Barthes over Réquichot (12)

<Barthes-Réquichot (11)Barthes-Réquichot (13)>

// de Requichot Rotbak, dag 10. toegevoegd: papier maché van toiletpapier met bister – haarlak

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Vandaag schrijft de oude Barthes menig aspirant theoreticus van de Asemische Zaak naar zijn stoffige achterkamer met de van windows 7 nog nablazende laptop: aja dat bijzondere soort semiografie waar Klee en consoorten ook al mee experimenteerden….

onleesbaar

in 1930 ontdekt de archeoloog Persson in een Myceens graf een kruik met grafieken op de rand; de onverstoorbare Persson vertaalt de inscriptie waarvan hij enkele woorden herkent die op Grieks lijken; maar wat later stelt Ventris, een andere archeoloog, vast dat het helemaal niet om geschrift gaat: ’t is gewoon wat gekrabbel; verderop, aan een van de uiteinden, wordt de tekening in zijn krullen helemaal decoratief. Réquichot doet de omgekeerde weg (die echter dezelfde is): een spiralencompositie van 1956 (in die maand waarin hij zijn toekomstige vormen vastlegt) eindigt (onderaan) in een lijn geschrift. Aldus wordt een bijzondere semiografie geboren (die reeds beoefend werd door Klee, Ernst, Michaux en Picasso): het onleesbare schrift. Vijf dagen voor zijn dood schrijft Réquichot op twee nachten zes onontcijferbare teksten die dat zullen blijven tot in de eeuwigheid; zonder twijfel moeten deze teksten, bedolven onder een of ander cataclysme van de toekomst een Persson vinden om hen te vertalen; immers, enkel de Geschiedenis fundeert de leesbaarheid van een geschrift; wat zijn wezen betreft behoudt dit schrijven leesbaarheid, niet van de betekenis (van de communicatieve functie), maar van de woede, de tederheid of de nauwgezetheid waarmee deze krullen en halen zijn getrokken.

Als onleesbaar testament zeggen deze laatste brieven van Réquichot ons meerdere dingen: vooreerst dat betekenis altijd contingent is, historisch, uitgevonden (door een al te zelfzekere archeoloog): niets scheidt het schrift (waarvan men denkt dat het communiceert) van de schilderkunst (waarvan men denkt dat het uitdrukt: beiden zijn ze gemaakt van dezelfde stof, die misschien heel gewoon zoals in heel moderne kosmogonieën de snelheid is (de onleesbare geschriften van Réquichot zijn ook even driftig als sommige van zijn doeken). Iets anders: dat wat onleesbaar is, is niets anders dan dat wat verloren is: schrijven, verliezen, herschrijven, het eeuwige spel inzetten van erop en eronder, de betekenaar benaderen, er een reus van maken, een aanwezigheidsmonster, het betekende afzwakken tot aan het onwaarneembare, de boodschap ontregelen, van het geheugen de vorm behouden maar niet zijn inhoud, het ondoordringbare onherroepelijke verrichten, in één woord heel het schrift, heel de kunst in palimpsest zetten en dat die palimpsest onuitputtelijk weze, dat wat er geschreven is onophoudelijk zou terugkeren in wat zich schrijft om het op-schrift te maken – ttz. onleesbaar. Het is al bij al dezelfde beweging waarin Réquichot zijn onleesbare brieven schreef en her en der de picturale palimpsest in de praktijk bracht, zijn doeken op elkaar knipte en plakte [‘cousant’?], zijn tachistische werken losmaakte en herwerkte, het Boek introduceerde met zijn schutbladen in de grote composities van de Papiers Choisis. Al die opschrijfsels, krabbels van niets openen de vergetelheid: het is het onmogelijke geheugen: ” Men heeft op de Noorse eilanden, zegt Chateaubriand, enkele urnen opgegraven waarop niet te ontcijferen karakters gegraveerd staan. Aan wie behoort die asse toe? De wind weet het niet.”

commentaar

Barthes over het Asemisch Schrift! zijn duiding is pakken beter dan menig betoog in belabberd Engels dat ik al gelezen heb over de kwestie!

De intro met de Myceense vaas is maar rakelings mis: er was immers onder vazenschilders destijds*, bij de opkomst van het schrift, een heuse hausse van ‘nepschrift’ waarmee de decorateur hoopte indruk te maken op de koper die al evenmin de kunst van lezen en schrijven machtig was, dus iets dat op schrift leek, lag gewoon goed in de markt. Maar de definitie van deze ‘bijzondere semiografie’, dat het schrift is, maar dan ontdaan van zijn communicatieve functie, geeft hij letterlijk en aan zijn uitdieping van de band met de schilderkunst, de verwantschap met gelijksoortige ontregelende collagetechnieken valt weinig aan te merken. Barthes neemt zelfs de crux van heel de kwestie ter hand en zwaait ermee wanneer hij zegt dat het dezelfde beweging is die Réquichot zowel in het onleesbare schrift als in zijn schilderkunstig knip- en plakwerk maakt.

maar meteen gooit hij die voor hem gevaarlijk ontknoping weer weg, want wat zonder betekenis is, moet waardeloos blijven, is louter voer voor de vergetelheid, waarbij hij dan smartelijk-heroïsch in de ijzige doodswinden laat staren door de malste fallosteak bleu-chaude aller tijden, de autobio-homp Chateaubriand.
ook hier, in deze houding die van de auteur niet de functionaliteit maar wel het dedains wil behouden, is Barthes een schoolvoorbeeld voor de meute postmoderne sansculotten na hem: “wij zijn vervloekt, wij postmodernen, maar wij dragen ons lot als echte mannen!” bij voorkeur in een kalfslederen fauteuil dan wel, met een dikke bel cognac, een fijn sigaartje en een excuustruus in de bijzit. “ja, nee, ach, jullie snappen er toch niks van”.

want genot dat gewoon gebeurt en niets vestigt, het ‘bestaan’, het eigen Zijn niet bevestigt, gezonde creativiteit waarbij sowieso iedereen ieders gelijke is (want elke vorm van humane expressie was, is en blijft evenwaardig), dat moet ook voor Barthes nog vergeefse moeite blijven, sukkelkunst.

want hoewel elke betekenis louter contingent en historisch is, heeft de betekenis van de échte auteur en de échte kunstenaar toch nog altijd iets meer betekenis.

mon oeil.


*geattesteerd in een archeologenartikel, ik heb het vroeger al ’s aangehaald, ‘k moet de juiste referentie nog terugvinden…

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (11)Barthes-Réquichot (13)>