LAIS CCXXXV

“Niets was eerst met daarin al het ene
en naamloos was het Al er zonder vorm.
  De kracht daarvan was “, denkt Het, ” datgene
wat goed is nu, in ’t stille oog der storm:
het lot dat troost, maakt lijden uniform.
  Licht verwekt het stromen in de dingen:
hoor de dingen van de dingen zingen!
  Ons lichaam haakt die zinnen in elkaar
ik kus haar bloeien, zij is seringen:
het veelvoud van haar Al in één gebaar”.

invoertekst (2014)