Barthes over Réquichot (13)

<Barthes-Réquichot (12)Barthes-Réquichot (14)>
foto van Dirk Vekemans.

// de Requichot Rotbak, dag 11. toegevoegd: papier maché van toiletpapier met bister en zwarte inkt 

VERTALING:

de representatie

de materie

Op de werktafel van Réquichot (in niets te onderscheiden van een keukentafel) gordijnringen gekocht in de Printemps, door elkaar:
later vormen die het ‘Sculpture en plastique, anneaux collés’ (‘Plastic sculptuur, gelijmde ringen’) .
Gewoonlijk (ik wil zeggen: als men de kunstgeschiedenis als referentie neemt) komt het werk voort uit pure materialen: dat wat nog tot niets gediend heeft (poeder, klei, steen); klassiek is het dus de eerste graad van transformatie van de ruwe materie. De kunstenaar kan zich zo mythisch identificeren met een demiurg, die iets uit niets maakt: dat is de Aristoteliaanse definitie van de kunst (de ‘technè’), en dat is ook het klassieke beeld van de titanische schepper: Michelangelo schept zijn werk zoals God de mens. Al die kunst is: Oorsprong.

De ringen van Réquichot zijn al (gefabriceerde) gebruiksvoorwerpen als hij ze vastneemt, ze worden enkel ontdaan van hun functie: het werkt vertrekt dus van een eerder verleden, de mythe van de Oorsprong is aangetast, de theologische crisis van de schilderkunst ligt open (van bij de eerste collages, de ‘ready mades’). Dit brengt het picturale werk (of sculpturale: de materiaalbewerking zal weldra een nieuwe naam nodig hebben)korter bij de Tekst (die litterair wordt genoemd); want ook de Tekst neemt gebruikswoorden, gebruikt en gefabriceerd met het oog op gebruikelijke communicatie, om een nieuw object te produceren, buiten het gebruik en dus buiten het verkeer.

De uiteindelijke consequentie (misschien nog niet te voorzien) van die ontwikkeling is het benadrukken van het materialistische karakter van de kunst. Het is niet de materie zelf die materialistisch is (een steen in een kader is niet meer dan louter fetisj) het is als men dat zo kan zeggen, de oneindigheid van haar transformaties: een beetje symboliek leidt naar de goddelijkheid, maar de radeloze symboliek die het werk van de kunstenaar beheerst leidt hem ervan weg: hij weet dat de materie onfeilbaar symbolisch is: voortdurend in verplaatsing; zijn (sociale) functie is het te zeggen, eraan te herinneren, iedereen aan te leren dat de materie nooit op haar plaats is (niet op de plaats van haar oorsprong, niet op die van haar gebruik) – hetgeen misschien een manier is om te suggereren (een bewering die in wezen materialistisch is): dat er geen materie bestaat.

(De materie die door de kunstenaar behandeld wordt vindt geen plaats tot op het moment dat hij ze kadert; ze exposeert, verkoopt: het is de plaats gefixeerd door vervreemding: daar waar de oneindige verplaatsing van de symboliek eindigt.)

FRANS ORIGINEEL:

Sur la table de travail de, Réquichot (indiscernable d’un établi de cuisine), en vrac, des anneaux de rideau achetés au Printemps: ils feront, plus tard, la Sculpture en plastique, anneaux collés. D’ordinaire (je veux dire: si l’on se réfère à l’histoire de l’art), l’oeuvre vient d’un matériau pur: qui n’a encore servi à rien (poudre, terre glaise, pierre); elle est donc, classiquement, le premier degré de transformation de la matière brute. L’artiste peut alors s’identifier mythiquement à un démiurge, qui tire quelque chose de rien : c’est la définition aristotélicienne de l’art (la techné), et c’est aussi l’image classique du créateur titanesque: Michel-Ange crée l’oeuvre comme son Dieu crée l’homme. Tout cet art dit l’Origine.


Les anneaux de Réquichot, quand il les prend, sont déjà des objets usuels (manufacturés), qui se trouvent seulement détournés de leur fonction : l’oeuvre part alors d’un passé antérieur, le mythe de l’Origine est ébranlé, la crise théologique de la peinture est ouverte (depuis les premiers collages, les ” ready made “). Ceci rapproche l’oeuvre picturale (ou sculpturale: le report du matériau obligera bientôt à un autre nom) et le Texte (dit littéraire); car le Texte, lui aussi, prend des mots usuels, usés et comme manufacturés en vue de la communication courante, pour produire un objet nouveau, hors de l’usage et donc hors de l’échange.

La conséquence ultime (peut-être encore imprévisible) de ce détournement est d’accentuer la nature, matérialiste de l’art. Ce n’est pas la matière elle-même qui est matérialiste (une pierre encadrée n’est qu’un pur fétiche), c’est, si l’on peut dire, l’infinitude de ses transformations; un peu de symbolisme amène à la divinité, mais le symbolisme éperdu qui règle le travail de l’artiste l’en éloigne: il sait que la matière est infailliblement symbolique: en perpétuel déplacement; sa fonction (sociale) est de dire, de rappeler, d’apprendre à tout le monde que la matière n’est jamais à sa place (ni à la place de son origine, ni à celle de son usage) – ce qui est peut-être une façon de suggérer (affirmation essentiellement matérialiste): qu’il n’y a pas de matière.

(La matière traitée par l’artiste ne trouve une place qu’au moment où il la cadre; l’expose, la vend: c’est la place fixée par l’aliénation: là où cesse l’infini déplacement du symbole.)

[tekst overgenomen van http://www.le-terrier.net/requichot/]

commentaar

wie de klassieke materiaalbehandeling verlaat, geeft (als een Faust?) de Kunst uit handen, stelt zich open voor het Rot van de theologische crisis, de crisis van het Zijn, de penetratie van de fictie daarvan door het Modernisme (de post-moderne reflex is dan om alsnog vast te houden aan de virulente auctoritas, de mythe van de geniale Schepper die meester over de materie is (in de praktijk: het model)).

het gebruik van ‘onzuivere’ materie stelt de Kunstenaar op hetzelfde niveau als de tekstbewerker, de Literator die zijn inspiratie versnijdt van louter Stem tot onwrikbare letter, onnavolgbare woordcombinaties waarmee hij zelfs van de negatie van de materie een materialistische bewering kan maken.

kom we geven ineens de aldus gereduceerde Kunstenaar de functie om de strekking van ons betoog te onderwijzen aan ‘tout le monde’, namelijk dat het wel heel erg materialistisch is om te zeggen dat er geen materie is (misschien zien jullie dat nog niet, maar ik wel hoorrrr!);

(zullen we tussen haakjes nog vermelden dat de enige plaats die niet het kunstwerk maar de Kunstenaar zelf nog heeft, die plaats is die hij te danken heeft aan zijn kwantificatie, wat hij ‘waard’ is als Kunstenaar, zijn marktplaats? neen! de Kunstenaar is Dood! we kunnen enkel spreken nog over het Werk! zolang het nog verkoopt toch!)

(ik begin, tussen mijn haakjes, die Georges Matoré enigzins te begrijpen…en Simon Leys, die sinoloog van bij ons ook! maar het is niet dat het niets zegt hoor, het is eerder hoe briljant hij vermijden kan om iets te zeggen terwijl hij het net zo goed wel had kunnen doen, moest hij niet zo geneigd geweest zijn om toch maar niets te zeggen).

<Barthes-Réquichot (12)Barthes-Réquichot (14)>