Barthes over Réquichot (15)

<Barthes-Réquichot (14)Barthes-Réquichot (16)>
foto van Dirk Vekemans.

//Réquichot Rotbak dag 14 + mortel van gemalen mosselschelpen met linzenmeel en behanglijm

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur. In het boek zijn ook de geschriften van Réquichot opgenomen, maar diens woorden komen niet echt frequent opborrelen in deze gedachten van Barthes

In de afdeling ‘de representatie’ vandaag de langere sectie over ‘de naam’.

de naam

Laat ons twee moderne objectbehandelingen beschouwen. In de ready made is het object reëel (de kunst begint pas aan de rand ervan, zijn inkadering, zijn museografie) – daarom heeft men erover kunnen praten als kleinburgerlijk realisme. In de conceptuele kunst wordt het object genoemd, geënt op het woordenboek – daarom zou men beter van “denotatieve kunst’ spreken dan van “conceptuele kunst”. In de ready made is het object zo reëel dat de kunstenaar zich een excentrieke of onzekere denominatie kan veroorloven: in de conceptuele kunst is het object zo exact benoemd dat het niet meer echt hoeft te zijn: het kan zich herleiden tot een lemma in het woordenboek (Thing, van Joseph Kosuth). Deze twee behandelingen [FR: ‘traite-ments’],die schijnbaar tegengesteld zijn zijn terug te voeren tot eenzelfde activiteit: de classificatie.

In de Hindoe-filosofie heeft de classificatie een illustere naam: dat is Maya: niet de wereld van de ‘ verschijningne’, de sluier die de intieme waarheid verhuld, maar het principe dat maakt dat alle dingen geklasseerd en gemeten zijn door de mens en niet door de natuur; van het ogenblik dat er een tegenstelling (de Oppositie) opduikt, is er Maya: het netwerk der vormen (de objecten) is Maya, het paradigma van de namen (de taal) is Maya (de brahmaan ontkent de Maya niet, hij stelt het Ene niet tegenover het Meervoudige, hij is helemaal geen monist – want herenigen is ook Maya; wat hij zoekt is het einde van de oppositie, het vervallen van de meting; zijn project is niet om zich buiten elke klasse te stellen, maar buiten de klassificatie zelf)

Het werk van Réquichot is geen Maya: hij wil geen object en geen taal. Wat hij viseert is de Naam onttronen; van werk tot werk voert hij een algemene ex-nominatie van het object door. Dat is het uitzonderlijke project dat Réquichot apart zet van de gezindten van zijn tijd. Het is geen eenvoudig project: de ex-nominatie van het object moet noodgedwongen door een faze van exuberante over-benoeming: je moet de Maya opwaarderen vooraleer hem uit te putten: het thematische moment dat heden uit de mode is. Een thematische kritiek van Réquichot is niet alleen mogelijk maar onvermijdelijk: zijn vormen ‘gelijken’ op iets, roepen een optocht van namen op volgens het procédé van de metafoor; hij wist het zelf: “Mijn schilderijen: je kan er kristallen in vinden, takken, grotten, algen, sponzen…”. De analogie is hier onbedwingbaar (zoals een voortijdig orgasme), maar vanuit het oogpunt van de taal is ze al ambigu: het is omdat de getraceerde vorm (geschilderd of samengesteld) geen naam heeft, dat men er hem een zoekt of meerdere opdringt: de metafoor is de enige manier om het onbenoembare te benoemen (en wordt zo heel uitdrukkelijk een catachrese) : de resem namen geldt voor de ontbrekende naam. Wat er overgaat in de analogie (tenminste in de analogie die Réquichot beoefent) is niet de de term, het veronderstelde betekende (“deze vlek betekent een spons”), het is de verleiding van een naam, eender welke naam: de doorgedraaide polysemie is het eerste (initiatie) stadium van een ascese die de woordenschat, de zin te buiten gaat.

De gesuggereerde thematiek van Réquichot is bedrieglijk omdat ze in feite onbeheersbaar is: de metafoor houdt niet op, het benoemingswerk zet zich onverbiddelijk voort, verplicht om door te gaan, zich nooit vast te zetten, de gevonden namen af te wijzen en nergens toe te komen tenzij aan een eeuwigdurende ex-nominatie: omdat het niet lijkt op alles maar achtereenvolgend op iets, lijkt het nergens op. Of nog: het gelijkt, ja , maar waarop? op “iets wat geen naam heeft”. De analogie bereikt zo zijn eigen ontkenning en de kloof van de naam is nu eindeloos: wat is dat?

Deze vraag (die door de Sfinx aan Oedipus werd gesteld) is altijd een schreeuw , de eis van een verlangen : snel een Naam zodat ik gerustgesteld ben! Dat de Maya niet meer verscheurd is, zich herstelt en restaureert in de hervonden taal: dat het schilderij me zijn Naam geeft! Maar – en dat definieert nu net Réquichot – de Naam wordt nooit gegeven: we genieten slechts van ons verlangen, niet van ons plezier.

Misschien is dit de echte abstractie: niet die schilderkunst ontwikkeld door sommige schilders rond de idee van de lijn (de courante opinie is dat de lijn abstract is, apollinisch; het beeld van een abstract magma zoals bij Réquichot lijkt onbetamelijk) maar dit gevaarlijke debat tussen het object en de taal waarvan Réquichot het verhaal heeft voorzien: hij heeft abstracte objecten gecreêerd: objecten omdat ze een naam zoeken en abstract omdat ze onbenoembaar zijn: van het ogenblik dat eer een object is (en niet een lijn) wil dat een naam baren, een afstamming produceren, die van de taal: is de taal niet dat wat ons nagelaten is door een vroegere orde? In zijn werk voer Réquichot een onterving van het object door, hij snijdt de naamsafstamming af. Van, de materie van de betekenaar zelf verwijdert hij elke origine: wat zijn de “accidenten” (waaruit sommige van zijn collage gewoven werden)? Doeken, eerder beschilderd en dan opgerold en opgehangen: onterfden.

Het project van Réquichot is dubbel bepaald (onbeslisbaar): langs een kant op het schaakbord van de avant-garde, verdiept hij de crisis van de taal, hij schudt tot brekens toe de denotatie, de formulering door elkaar; langs de andere kant streeft hij persoonlijk de definitie van zijn eigen lichaam na en ontdekt hij dat die definitie begint daar waar de Naam ophoudt, ’t is te zeggen binnenin (enkel de dokters kunnen ver van alle realiteit het binnen van het lichaam benoemen – dat lichaam dat niets anders is dan zijn binnen). Heel de schilderkunst van Réquichot kan dit opschrift dragen, geschreven door de schilder zelf: ” Je ne sais pas c’qui m’quoi” (“Ik weet niet wie me wat”).

Franse tekst:

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (14)Barthes-Réquichot (16)>