Barthes over Réquichot (16)

<Barthes-Réquichot (15)Barthes-Réquichot (17)>
foto van Dirk Vekemans.

// Réquichot Rotbak dag 15 – + drie gedroogde kamerplantbladeren

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

Barthes ontwikkelt hier, in het stuk over de representatie vandaag, weer enkele zeer bruikbare gedachten. Maar.

Réquichot publiceerde niets van zijn geschriften, compleet in overeenstemming met de premissen van zijn werk. Geeft dat auteur Roland Barthes een vrijgeleide om de eigen kijk op het werk te priviligeren boven de intentieverklaringen en de begeleidende commentaar in het nagelaten literaire werk? Blijkbaar wel: er was nog wat meer echte verdienste mee gemoeid, maar je was ook toen geen auteur tot je het zitje gekocht had, op één of andere manier.

Gelukkig was Réquichot zich van dit kleine euvel bewust. Wist hij dat de echte, wérkende titel ‘auteur/autrice’ enkel postuum kan worden verleend aan de auteur van geschriften die weigeren de vergetelheid te omarmen zonder eerst hun geheimen te hebben prijsgegeven aan de lezers die zulks nodig hebben en die haar/hem daarom uit dankbaarheid benoemen.

“Ah! la jouissance d’être l’auteur de sa propre apocalypse”.

de representatie

Hoe weet de schilder dat het werk af is? Dat hij dient op te houden, het object loslaten, aan een ander werk beginnen? Zolang de schilderkunst strikt figuratief was, was het affe denkbaar (het was zelfs een esthetische waarde): dit hier heeft het bereikt (de illusie), dit kan ik loslaten (het doek); maar in de schilderkunst daarna is de perfectie (parfaire wil zeggen beëindigen) geen waarde meer : het werk is eindeloos (zoals het onbekende meesterwerk van Balzac dat al was), en toch hield men op een zeker moment op (om het te tonen of te vernietigen) : de maat van het werk zit ‘m niet meer in zijn finaliteit (het product beëindigt wat het constitueert), maar in het werk dat het exposeert (de productie waarin het de lezer wil meeslepen: naarmate het werk zich maakt (en zich leest) transformeert het zijn einde. Het is een beetje wat er gebeurt bij een analytische behandeling: het is het aanvankelijk zeer eenvoudige idee zelf van ‘genezing’ dat zich beetje bij beetje compliceert, transformeert en verwijdert: het werk is onbeeindigbaar, zoals de behandeling : in beide gevallen gaat het minder om een te bereiken resultaat dan om een probleem aan te passen, dwz. een onderwerp : het te ontdoen van de finaliteit waarmee het zijn begin insluit.

Zoals men ziet stelt de moeilijkheid om te eindigen – waarvan Réquichot vaak melding maakte – de representatie zelf in vraag, tenzij het de afschaffing van de figuratie is, teweeg gebracht door een heel spel van historische determinaties, die het einde (doel en slot) van de kunst onvervuld laat. Heel de discussie zit misschien vervat in de twee betekenissen van het woord “representatie”. In de gebruikelijke betekenis, die van het klassieke werk, betekent de representatie een kopie, een illusie, een analoge figuur, een gelijkend product; maar in de etymologische zin is de re-presentatie niets anders dan de terugkeer van wat zich gepresenteerd heeft; in de representatie onthult het heden [fr: ‘le présent’] zijn paradox, die van reeds plaatsgevonden te hebben (omdat het niet aan de code ontsnapt): aldus komt dat wat het meest onbedwingbaar is in in de kunstenaar (in het geval van Réquichot) te weten de raket van het orgasme, niet tot stand zonder de hulp van het alreeds dat in de taal vervat is, dat de taal is; en het is hier dat in weerwil van de blijkbaar onverzoenlijke oorlog tussen het Oude en het Nieuwe de twee betekenissen zich verbinden: van het ene eind naar het andere van haar geschiedenis is de kunst niets anders dan het wisselende debat van het beeld en de naam: enerzijds (aan de figuratieve pool) regeert de exacte Naam en legt het teken zijn wet op aan de betekenaar; anderzijds (aan de – moeilijk te zeggen – “abstracte” pool) vlucht de Naam, wil de onophoudelijk exploderende betekenaar zich ontdoen van dat koppige betekende dat wil weerkeren om een teken te vormen (de originaliteit van Réquichot bestaat hierin dat hij de abstracte oplossing achter zich liet en begreep dat je om je van de Naam, de Maya te ontdoen je moest aanvaarden om die uit te putten: de asemie passeert langs de exuberante, radeloze polysemie, : de naam blijft niet ter plaatse).
Samengevat, is er een moment, een niveau van de theorie (van de Tekst, van de kunst) waar de twee betekenissen ruzieën: je kan stellen dat het meest figuratieve schilderwerk nooit iets representeert (kopieert) maar enkel een Naam zoekt (de naam van de scène, van het object); maar je kan ook zeggen (wat vandaag meer ongehoord is) dat het minst figuratieve “schilderij” altijd iets voorstelt: ofwel de taal zelf ( wat om zo te zeggen de positie van de canonieke avant-garde is), ofwel het binnen van het lichaam, het lichaam als binnen, of beter: het genieten : dat wat Réquichot doet ( als schilder van het genot is Réquichot vandaag uitzonderlijk, uit de mode – want de avant-garde is niet vaak genotzuchtig).

de Franse tekst

commentaar

Barthes negeert het autonoom ontwikkelde discours van Réquichot zelf totaal en verliest zich maar al te graag in de wriemelige complexiteiten van zijn reïficerende betekenistheorie die hij als een certitude poneert (terwijl er ondertussen niet zo veel meer van overeind blijft).

maar die ene opmerking over het feit dat de asemie pas kan bereikt worden via een exuberante polysemie maakt veel goed want dat is ook wat blijkt uit de talloze oppervlakkige en al te makkelijke ontsnappingspogingen in de huidige Asemic Writing praktijk die op vrij amechtige en – het moet gezegd – zelfs ridicule wijze blijven steken in het feit dat ze allemaal zo betekenisvol willen zijn, ze willen ertoe doen, ze schreeuwen om aandacht, om likes voor hun maak(st)ers. In een vrij monsterlijke pastiche op de artistieke geschiedenis willen sommige van deze krabbels zich onderscheiden van gewone kinderkrabbels louter door hun benaming als ‘asemisch schrift’.

Het kan altijd erger, dat is de wet van de kosmos; maar in de Kunst kan het altijd nog veeeeeel erger…zolang de geldkraan open staat toch.

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (15)Barthes-Réquichot (17)>