Barthes over Réquichot (18)

<Barthes-Réquichot (17)Barthes-Réquichot (19)>
//Réquichot Rotbak dag 20 + stukje toiletpapier
Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

In het laatste deel over Réquichot als ‘kunstenaar’ vraagt Barthes zich vandaag of we hem een ‘amateur’ kunnen noemen en zet daardoor voor ons de poort naar het nieuwe, verruimde auteursbegrip open, een open deur naar een mogelijke toekomst die hij niet wenst te verkennen

de amateur

Met een misvormd woord zouden we willen kunnen zeggen dat Réquichot een amateur was. De amateur wordt niet noodzakelijk gekenmerkt door een kleinere kunde, een imperfecte techniek (in dat geval is Réquichot géén amateur), maar misschien eerder door dit: hij is degene die niets toont, niet van zich laat horen. De betekenis van deze geheimhouding is de volgende: de amateur wil wil enkel zijn eigen genot opzoeken (maar niets verbiedt dat het ook het onze wordt door toevoeging, zonder dat hij er weet van heeft) en dit genot is geenszins afgeleid naar iets hysterisch. Na de amateur houdt het pure (ontrokken aan elke neurose) genot op en begint het imaginaire, ’t is te zeggen, de kunstenaar: de kunstenaar geniet, ongetwijfeld, maar van het moment dat hij zich toont en van zich laat horen, vanaf dat hij een publiek heeft, moet zijn genot gecombineerd worden met een imago, hetgeen het discours is dat de Ander houdt over hetgeen hij doet. Réquichot toonde zijn doeken niet ( ze zijn nog steeds veelal onbekend): “Elke blik op mijn creaties is een usurpatie van mijn denken en van mijn hart… Wat ik maak is niet gemaakt om gezien te worden… Uw appreciaties en uw lofbetuigingen komen mij voor als verstorende en mishandelende inbreuken op hun genese, de onzekerheid, de delicate mentale perceptie waarin iets ontkiemt en poogt te groeien…”.
Het particuliere van Réquichot is dat hij zijn werk tegelijk naar het hoogste en het laagste voerde: als het toppunt van genot en als een bescheiden hobby die men niet tonen wil.

commentaar

men moet echt de woorden, de daden en al de werken van Bernard Réquichot compleet naast zich neer willen leggen om de vragen die hij stelde aan het kunstenaarschap op deze manier af te doen als een ‘singularité’*, een merkwaardigheid. is het dan niet evident dat Réquichot daar zodanig mee gewrongen zat, dat het spel van het ‘imago’ dat de ‘artiest’ diende te spelen aan hem niet besteed was, dat deze ‘sociale onaangepastheid’ de uiterlijke reflectie was van een innerlijk drama waarbij hij de crisis van de kunst aan den lijve ondervond?

soit, we gaan daar later nog op terug komen.
hier moeten we duidelijk stellen dat met de opkomst van de sociale netwerken die elke burger de gelegenheid geeft maar ook meteen de onontkoombare plicht oplegt om zich maatschappelijk te ‘profileren’ zich voor elke maatschappelijke deelname een profiel, dus een imago aan te meten, dat met die globale maatschappelijke revolutie de doodsteek heeft gegeven aan de ‘Kunst’ en aan de rol van de ‘Kunstenaar’, een rol die met het verdwijnen van elke ‘autoriteit’ in het cultureel-artistiek discours, met de stijgende discrepantie tussen het ‘populaire’ en het kunstmatig opgehouden ‘artistieke’ en met de algehele commerciële verwording van het artistieke milieu zelf sowieso al onhoudbaar geworden was.

het onderscheid amateur-kunstenaar zoals Barthes het ons hier uiterst welwillend voorlegt was al langer overhoop gehaald: waar Barthes nog subtiel de kunde en het vakmanschap aannemelijk kan verdelen over beide polen, is de realiteit heden dat er vaak tonnen meer vakmanschap bij de duizenden stilzwijgende ‘amateurs’ aanwezig is dan bij die kleine elite die de loterij van imagowinkel van de kunst gewonnen hebben en zich van een waanzinnige verkoop in de topgaleries konden/kunnen verzekeren: de ‘kwaliteit’ of ‘relevantie’ van het ‘werk’ kan bij gebrek aan een nog functionerend kritisch discours op basis van de zichzelf organiserende mannelijke auctoritas de facto nergens meer op gebaseerd worden, dus de factoren die bepalend zijn voor ‘artistiek’ succes’ moeten eerder gezocht worden in de marketingdepartementen bij de looks, het mediagenieke van de persoon, de social float, haar kennissen en behendigheden in doordringen tot de juiste netwerken, het deskundig opstellen en uitvoeren van het businessplan van de ‘artistieke carrière’, dat monsterlijke oxymoron, want die carrière is dan een soort bereiksel dat slecht heel vaag nog herinnert aan enig authentiek creatief parcours.

zelf heb ik nooit goed begrepen dat je bij dergelijke aanblik nog de neiging kan hebben om in zo’n landschap iets te willen gaan ‘betekenen’, om aan dat soort exploitatiespelletje te willen gaan meedoen, maar bon, laat dat dan maar mijn beperking, mijn gebrek aan visie zijn.
en ik zeg dat hier geenszins als een verdoken oordeel over wie dan ook die zich wel dagelijks de kleren van het lijf wil/moet werken om in die rat race zelfs maar overeind te blijven: in mijn denken is elk oordeel over de ander volstrekt uit den boze…

anderzijds kan ik zoals zovelen niet zonder dagelijkse creatieve intensiteit, ik ben behept met een aan het pathologische grenzende aandrang om voortdurend te creëren, ik voel meer zielsverwantschap met de als waanzinnig bestempelde medemens dan met de normaal functionerenden (ik deel ook probleemloos en zonder morren haast het financiële lot der euh ‘abnormalen’ en ‘disfunctionelen’ ) en ik herken diezelfde maniakale aandrang ook bij mensen als Réquichot.
ik begrijp dan ook volkomen de wanhoop die er soms uit zijn woorden spreekt, want het is zo dat er toen, en ook nu nog niet enige maatschappelijk aanvaarde rol bestaat waarmee je deze creatiedrang van haar ergste uitwassen kan ontdoen zonder bijna onmiddellijk tot dat verfoeide ‘kunstenaarschap’ veroordeeld te worden.

of erger nog: creativiteit wordt enkel nog aanvaard in functie van het consolideren van die vermaledijde ‘artistieke carrière’. er heerst daar een ware dwingelandij in: als ‘schrijver’ krijg je dan enkel het recht om je al schrijvende te uiten, heel het creatieve veld wordt doorkruist met dwingende exploitatievergunningen, profielen gekoppeld aan toelatingen en subsidievereisten.

ter verduidelijking (en niet: ter rechtvaardiging) hier dit exordium over mijzelf als exempel van het artistiek-creatieve dilemma:

ik heb zelf jaren geworsteld met de maatschappelijke onmogelijkheid van een gezonde creativiteit en de taboes die daarop rusten.
mijn privéleven draagt daarvan tot op heden wat ik zelf nog ervaar als gruwelijke sporen, gruwelijk dan niet meer voor mijzelf persoonlijk nu (mijn leed is grotendeels geleden) maar omdat ik wat ik doormaakte nog steeds zie gebeuren bij anderen, zonder dat het in mijn mogelijkheden ligt om daar iets aan te doen, want iedereen moet uiteindelijk z’n eigen Kathedraal bouwen, z’n eigen thora schrijven, zoals ik vroeger al zei en helaas ook zelf door de eigen shit waden (je kan alleen maar iets van jezelf leren).
toch, want ik voel de morele verplichting om hier zo duidelijk mogelijk te zijn: het is met deze patstelling voor mij dat ik bijna vanzelf het pad bewandelde dat mij tot de oprichting van mijn Kathedraal bracht, dat ik de woorden ‘Kunst’ en ‘kunstenaar’ uit mijn woordenboek geschrapt heb en meer en meer in termen van persoonlijk onderzoek en creatieve research & development ben beginnen praten om zo uiteindelijk ten gronde en onafhankelijk te willen gaan onderzoeken wat er in de huidige constellatie nog echt kan weggelegd zijn voor een ‘auteursfunctie‘ en dat is dan ook sinds 2004 mijn belangrijkste objectief: betere vragen stellen daarrond dan de algemene (de evidentie vragen die men zich helaas alsmaar minder stelt omdat de labels van ‘auteurschap’ zo goedkoop worden aangeboden al) zoals ‘wat betekent het om nu auteur te zijn’, ‘wat zou het kunnen inhouden’, ‘hoe ga ik daar mee om’, en ‘hoe kan ik daar een persoonlijke zingeving in vinden’ en ‘hoe organiseer ik dat zodat ik toch ietwat consequent kan handelen. tonen hoe het kan in een werkende praktijk los van de commercie.

in die vereiste van consequentie ben ik misschien wel ‘radicaal’ te noemen, zoals ik dat soms en eerst tot mijn eigen grote verbazing, hoorde al (ik vind mij collega’s meestal radicaal in hun obstinate weigering om hun eigen positie te willen problematiseren, maar bon, soit), want van daaruit ben ik tot mijn de-ontologie gekomen als een voor mij noodzakelijke voorwaarde om terug tot een gezonde omgang met creativiteit te komen en vanuit die de-ontologie (het wegsaneren van het Zijn en de Dingen uit het denken ten voordele van een vruchtbare en genoegdoende beleving van het Gebeuren.

en dat hele pad heeft mij ertoe gebracht om nu als ideologische keuze duidelijk te stellen dat voor mij (en mijn hele Kathedraalse bouwval) er geen onderscheid meer kàn zijn tussen de amateur en de kunstenaar dat iedereen èn auteur èn kunstenaar en sowieso amateur is (anders doe je het niet) en dat die hele mikmak van dat imago gewoon de prullenmand in moet. elke humane creatieve expressie is voor mij per definitie evenwaardig dus kan er in een gezonde situatie van enige kunstenaarshysterie geen sprake zijn; een gezonde samenleving draagt er dan ook zorg voor dat elke burger die mate van creatieve praktijk van persoonlijke expressie kan uitoefenen die hij of zij nodig heeft, want creativiteit is geen voorrecht (voor enige elite) het is een algemeen mensenrecht. mensen die niet vrij creatief kunnen handelen leven in verdrukking, het hedendaagse neo-liberale bestel is dan ook, laten we wel wezen, met klem te veroordelen als een sterk verziekte en afschuwelijk ziekmakende exploitatiedictatuur.

uiteraard is die ideologische keuze maar dat wat ze is (van ideologie wordt niemand beter, je kan die best voortdurend zelf onderuit halen, maar echt kwijt geraak je dat soort keuze nooit want heel je ego gaat met het bewegen ervan samenvallen, uiteindelijk): ik verwacht binnen mijn ‘ambtstermijn’ als Kathedraal-Novice in leven niet zo ontzettend veel verandering in deze zaken, de hebzucht en de nijd des mensen zijnde wat ze is zal het eerder nog pakken erger worden, maar het is mij wel duidelijk dat heel de evolutie onontkoombaar en onomkeerbaar is, en daarmee bedoel ik dat het huidige bestel zichzelf in versnellend tempo de das omdoet. wat we heden meemaken zijn de laatste buitelingen van de laatste gruizels van het enorme bruistablet dat het Zijn ooit was, straks rest er ons enkel het lichtjes misselijkmakend glas vervuild water ervan.

wat mij dan prompt weer de geruststellende verzekering geeft dat ik zelf geen kruistochten hoef te gaan voeren (tegen wie?), geen malle strijd gaan leveren om mijn ‘gelijk’ te gaan halen (waar? en vooral waarom? gelijk hebben is ongeveer het ergste wat je kan overkomen) en dat alles gewoon vanzelf in een Neo-Kathedraalse plooi aan het vallen is, dat ik gewoon verder mijn ‘ding’ kan doen in de hoop dat ik af en toe wat bruikbaars doe dat dan als voorbeeld voor anderen kan dienen, voor de hopelijk talrijke menigte die al die nakende rampspoed en gruwel kan overleven.

de zweer van de Kunst is al lang gebarsten, daar hoef je niet meer op te duwen, da’s bepaald onsmakelijk. het is ook niet nodig om het moment daarvan ergens proberen te duiden: misschien gebeurde dat wel precies op het ogenblik dat Bernard Réquichot als ‘kunstenaar’ uit het raam sprong en zich zo van zijn lijdensweg verloste, misschien speelt zijn tragische levensloop zich enkel toevallig af in de nasleep van de onverkwikkelijke verwording van de Westerse Kunst, wie zal het zeggen: binnen het van alle autoriteit bevrijde imaginaire is alles denkbaar en dus ook mogelijk. je zal moeite hebben om iemand te vinden die daar zijn slaap nog voor laat.

zeker en belangrijker is, is dat de hele fallocentrische, essentialistische en voortdurende muterende ziekte van de Kunst momenteel uitgewerkt is, de kanker daarvan heeft zijn drager van het Zijn omgebracht, het enige wat nog glanst aan de Kunst is de slijm gegenereerd door het laatste stadium van haar postume verrotting.

let it bleed, zou ene Jagger zeggen (hoewel let it fester correcter zou wezen).


*is dat geen stilzwijgende overeenkomst in de schrijverij over beeldende kunstenaar: dat je de uitlatingen van de kunstenaar over zijn werk beter negeert? uiteraard speelt hier ook het stijgende gehalte aan imago-vertoon der kunstenaars zelf die zo hun eigen serieux onderuit halen, het theater van de geniale kunstenaar in de geïllustreerde weekbladen die de basis van hun roem en inkomsten uitmaakten.

<Barthes-Réquichot (17)Barthes-Réquichot (19)>

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.