Barthes over Réquichot (22)

<Barthes-Réquichot (21)Barthes-Réquichot (SLOT)>

// Réquichot Rotbak dag 24 – de rotrand dateert en vormt de tijdslijn. de rotrand hanteert daarbij de doodsrechte.

Afbeeldingsresultaat voor Barthes Réquichot

De tekst die Roland Barthes schreef voor de Catalogue Raisonée (La Connaissance – Weber, Brussel 1973) van het oeuvre van Bernard Réquichot is geen betoog of essay uit 1 stuk maar bestaat uit een verzameling autonome bestanddelen, gedachten bij het werk in de tekstuele gedachtenbak gegooid alwaar zij zelf een soort Reliquaire vormen voor de dode auteur.

In de voorlaatste paragraaf karakteriseert Barthes Réquichot als de antipode van de conceptuele kunst, die hij overigens niet ‘conceptueel’ maar ‘denotatief’ wil genoemd hebben. We zullen het doorgeven…

over schilderkunst gesproken?

Laat ons op goed geluk Réquichot vergelijken met een der stromingen na hem. In wat met conceptuele kunst noemt (beschouwende kunst) is er in principe geen plaats voor de geneugte; die kunstenaars weten goed, bij gebrek aan wat anders, dat om het ideologische gangreen definitief uit te wissen het gehele verlangen afgezet moet worden, want het verlangen is altijd feodaal. Het werk (als men het zo nog kan noemen) is niet formeel meer, maar louter visueel en articuleert eenvoudig en onmiddellijk een perceptie en een benoeming (de vorm, dat wat er tussen het ding en de naam is, vertraagt de naam); het is daarom dat men beter zou zeggen dat deze kunst denotatief is, eerder dan conceptueel. Welnu ziehier het gevolg van die zuivering: de kunst heeft niets fantasierijks meer; er is nog wel een scenario (want je hebt nog tentoonstelling) maar dat scenario heeft geen subject meer: de operator en de lezer kan zich evenmin in de conceptuele compositie verplaatsen als de taalgebruiker zich in het woordenboek kan plaatsen. Daar gaat meteen heel de kritiek, want die kan niets meer thematiseren, poëtiseren, interpreteren; de literatuur vervalt op hetzelfde moment dat er geen schilderkunst meer is. De kunst komt er dan toe haar theorie zelf in handen te nemen; ze kan niets anders meer dan zich bepraten, zich herleiden tot wat ze over zich zou kunnen zeggen, als ze ermee instemde om te bestaan: maar met het verbannen verlangen barst het discours weer los: de kunst wordt babbelziek van het ogenblik dat ze ophoud erotisch te zijn. De ideologie met zijn gebreken zijn verwijderd, zeker: maar de prijs die men diende te betalen is de aphanasis, het verlangensverlies, in een woord de castratie.

De weg van Réquichot is de tegenovergestelde: hij rekt het idealisme van de kunst uit, niet door reductie van de vorm maar door zijn verergering; hij wist het fantasme niet uit, hij overlaadt het tot het breekt; hij collectiviseert het werk van de kunstenaar niet (onverschillig om het zelfs maar tentoon te stellen), hij over-individualiseert het, zoekt dat extreme punt op waarin het geweld van de uitdrijving de neurotische consistentie van het subject doet overslaan in dat andere dat de samenleving bij de psychose onderbrengt.
De conceptuele kunst (die we enkel als voorbeeld nemen van een kunst tegengesteld aan die van Réquichot) wil een soort beneden aan de vorm inrichten (het woordenboek); Réquichot van zijn kant wil een voorbij aan de taal bereiken; daartoe radicaliseert hij het symbolische in plaats van het uit te zuiveren: hij verplaatst en het is daarom dat hij zich aan de zijde van het symbool bevindt. (“Die zogezegde vlekken in mijn werken poog ik niet zozeer op de juiste plaats te laten vallen, ik verwacht eerder dat ze verkeerd vallen”). Vandaar dat je nog steeds kunt praten over Réquichot; je kan zijn kunst nog benoemen: erotisch (omdat het zijn lichaam is dat hij verplaatst), of kwaadwillig, of gewelddadig, of vuil, of elegant, of taai, of snedig, of geobsedeerd, of sterk; kortom ze kan het taalkundige merkteken krijgen van het fantasme, zoals het gelezen is door de Ander, te weten het adjectief. Want het is mijn verlangen dat, wanneer het de Ander toelaat over mij te praten, in dezelfde beweging ook het adjectief en de kritiek een grond geeft.

Franse tekst:

commentaar

ondertussen, bij de marchandeurs:

“héhé, oef seg, we zijn gered! lees maar: bij Réquichot heeft de kritiek tenminste nog grond; hij veegt in al zijn geschriften die wij makkelijk kunnen negeren – ze zijn immers niet gepubliceerd zoals het hoort – wel de vloer met ons aan, en elk tableau van hem is een regelrechte aanfluiting van onze volstrekt willekeurige maar stevig financieel onderstutte autoriteit, peut importe ce bagard: hij doet aan expressie, ça déplace dus het schuift, dus wij mogen beginnen labelen, indelen, bespreken, inpakken, semmelen, klinken en vooral: verkopen.

salut Bernard, auf wiedersehen!

(“hoeveel heb jij d’r aan over gehouden? zoveel maar? ik veel meer hoor. kom we gaan, Madeleine heeft nieuwe meiden heb ik gehoord, ik trakteer!”)

Dit bestand maakt deel uit van de Neo-Kathedraalse Lezing van het werk van Bernard Réquichot.

Een NKdeE-Lezing is een recyclageprogramma dat de nalatenschap van een overleden auteur publiekelijk bestudeert met het oog op een opname van de overledene in de Kathedraal als Kathedraal-Auteur.

<Barthes-Réquichot (21)Barthes-Réquichot (SLOT)>