terug naar de kerkstraat

De keuken is nu keuken.
De living is een Thai. De straat

is opgebroken, men stapt in putten
bij het gaan. De apothekeres

is jolig nog maar schriel en oud,
haar zon verft zwarte ramen goud.

Er waren doden rond in Kessel-Lo:
ze willen allemaal zijn bloed.

De reiger klapwiekt statig in het park.
Het kust zijn lief, zij doet Het goed.

invoertekst (2014)

NKdeE 20 – Asemische Lezing van ‘terug naar de kerkstraat’ – A5