LAIS CCLXXII

In de droom van de daden, de wilde
stroom van het echte, waren de dagen
nog vol zon en velden. Die verkilden
onder de wet van strakke wil, jagend
naar de hoogste winst, het nu verdagend
tot ooit, een hier of daar of dan maar nooit.
’t Verleden dat zichzelf dan droomt was ooit
daad die het vlak van nood en wet doorbrak:
de schim die nu met verlangen opgetooid,
haar zoekt, is schijn die naar een streling snakt.

invoertekst (2015)