LAIS CCLXXVI

‘Dag jij’, zegt het en ’t kust haar huid, parel
van de leugen die gebeurt. Het draait om
en om haar zuil van licht, ’t is opstand, rel,
vlechtpartij, lok, bond, ’t voelt zich heerlijk dom
en slecht omdat het weer eens vroeger komt.
Die ochtend dan. Zij blijft in ’t echt bestaan.
haar lach is goud, de zon wil in haar gaan.
Er is de nevel van haar zijden kleed
dat Het tot hemelrijk verheft, de maan
heeft hiervan weet. Zacht zoent het weg haar leed.

invoertekst (2015)