LAIS CCLXXVII

Kille promenade, noorderwind. Schriel
de meeuwen krijsen aan het strand. Nijd brandt
in de magen der verdoemden, de hiel
is naaldhak, bijtend zuur, het droge zand
verglijdt in de klemmende hand, de wand
is leegte naar de andere wand, niets
is volledig, het licht is van kant. Iets
heeft het in Het als van papier verbrand.
Het wil haar lezen en het zie het Niets,
zwarte brij, zwaarte, inkt op inkt, zijn land.

invoertekst (2015)