het moment (7)

het heeft god gezien: een marter in een kippenhok. hij hapte er naar vrede, en zoog op doorgebeten kippennek. hij was er een en al en ongetwijfeld. en het zag gods lijfje bibberen, klets en kaal en gans van ondoorgrondelijkheid ontdaan. en het dacht: we hebben dat nog niet zo slecht gedaan.

haar lichaam leest het als een kathedraal, een duivels plan met verraderlijke bochten naar het hogere. het leesvingertje volgt kronkels van liefde rond haar borsten en wordt begeesterd wanneer het de crypte van eenvoud ontdekt die het prompt open likt. er was eens een snee.

alles in de wereld wil de wereld leven geven, alleen de mens kan slechts het krijgen zien.

god is dood en groot in ons, een stukgelezen boek dat niet meer open gaat. zijn tetragram is een veelkleurige darmsjanker met de zwarte aleph in stuitligging. maar nu speelt het zwarte steen en het wil ommegang.

draai jouw lieve lijfje rond”, zingt het, “en rondom mij. bewijs mij, hef op de prangende spalt van mijn verlangen en ik zal rivier zijn, bruisend vol met zoete verse zalm voor jouw ommondende zee”.

invoertekst (2015)