journal intime #79

jt 79 – mystique de la laideur – TA FE LE

er bestaat blijkbaar een onweerstaanbare neiging onder intellectuelen om de eigen uitleg en verklaring als evidente uitstalling van deskundigheid en ‘geleerdheid’ belangrijker te vinden dan het onderwerp dat zij bespreken, zeker dan als dat onderwerp een andere man is.

vrouwelijke intellectuelen hebben daar merkbaar minder last van, vind ik, hoewel ik die indruk op geen enkele wetenschappelijke manier kan staven: het aantal ‘onderwerpen’ is in mijn geprefereerd gebied, dat van de creatieve maniakken, de monomane schrijvers, kribbelaars, krabbers en kathedralenbouwers, helaas te zeer beperkt tot mannen, omdat de vrouwen historisch zo lang van dat soort activiteiten uitgesloten werden.

zo lees ik aan het begin van hoofdstuk XII – Le contre-ciel Convexe/concave bij Jean-François Chevrier vandaag ook weer van alles over de Franse auteur en Gurdjieff-adept René Daumal, over Pseudo-Dyonisus en de negatieve theologie en over Mallarmé en Manet. ik ben hem daar zeer dankbaar over want al die onderwerpen interesseren mij danig en die René Daumal met zijn Gurdjieffke en dat Enneagram om de duizendvoudige multitude te reduceren tot een negenkoppig monster dat was allemaal nieuw voor mij, ik was daar heel de ochtend mee zoet.

er zijn mij evenwel totaal geen bewijzen bekend dat Bernard Réquichot zich op enige tijd meer dan oppervlakkig heeft beziggehouden met een van die zeer interessante andere onderwerpen. ik weet uit zijn eigen verklaringen daarover ondertussen dat hij weinig las, maar wel zeer intensief, verklaringen die van dien aard zijn dat je kan concluderen dat hij de gewoonte had om mee te denken met wat hij las, dat hij de gedachten van anderen tot de zijne maakte en daarmee aan de slag ging in het geval die gedachten hem leken aan te sluiten bij zijn eigen manier van denken. enfin dat is wat ik lees als ik hem iets zie schrijven over het ‘lire au bout’ van bijvoorbeeld de Monsieur Teste van Valery.

weinig lezen op zich hoeft trouwens geen beletsel te zijn om zelf prachtig te schrijven. ik ken persoonlijk een briljante autrice waarvan ik weet dat ze zelf haast niks gelezen heeft, maar de hypocrisie en de naijver is in dat tot uiterst onwelriekend plasje gereduceerde literaire vijvertje momenteel zo groot dat je dat soort kennis beter voor jezelf houdt. niets jaagt de afgunst zo hoog op als een natuurtalent.

soit. ik heb uit het eerste deel van dat hoofdstuk van Chevrier met die mooie serie troefkaarten in het literaire spelletje hartenjagen, dan ook alleen maar de 4 woorden van Réquichot zelf onthouden die daarin geciteerd worden: ‘mystique de la laideur’ en de anecdote die Chevrier daar nogal falsifiërend bijvermeld over hoe Réquichot voor de vitrine van een apotheker gefascineerd werd door een door kanker aangetaste paardenlever. ik ga de passage zelf niet citeren en hem op die wijze de eigen diensten retourneren: je kan het nalezen op CHEVRIER 2019 p.217.

Chevrier’s voetnoot bij die vier woorden van Réquichot verwijzen mij immers naar de brontekst van Réquichot: enerzijds naar de tekst die waarschijnlijk ten onrechte is opgenomen in de ‘Faustus’ samenstelling, een titelloze tekst beginnende met de woorden “Voici un des textes de notre personnage…” [REQUICHOT 2002 p.59-63] en anderzijds naar de brieven (aan Daniel Cordier) verzameld onder de titel ‘Lettres à un ami’ [REQUICHOT 2002 p.97].

in geen van beide teksten heeft Réquichot het met de beste wil van de wereld ergens over iets dat met wat Chevrier hier aanhaalt kan in verband worden gebracht. de passages (ik kom er later op terug wanneer ik ze vertaald en dus ‘au fond’ gelezen zal hebben) hebben het wel over (het moment van) het genieten, over de sadistische aantrekkingskracht van het morbide en over de revellatie van het moment, de Joyciaanse epifanie*, die volgens Réquichot moet geplaatst worden tegen de ondraaglijke vluchtigheid van het bestaan ten einde de dingen toch enige ‘duur’ te verlenen.

Dus als Chevrier op p.217 van zijn dure boek zegt “Réquichot avait retrouvé la trace de la théologie négative en voyant un jour un foi de cheval cancéreux” [ Chevrier 2019 p.217] kan ik enkel geloven dat Jean-François op een mystieke wijze in verbinding staat met de Ware Gedachten van Bernard Réquichot want in diens eigen woorden vind ik van die negatieve theologie hoegenaamd geen spoor.

maar het moet gezegd: ik zou dat alsnog kunnen vinden, want ik lees de teksten van Bernard Réquichot uitermate traag, stukje bij beetje, terwijl ik mij doorheen wat er over hem is geschreven worstel.

gelukkig valt dat in het geval Réquichot nogal mee, waarschijnlijk net omdat Réquichot een van de meest subversieve auteur aller tijden is: als je hem echt wil begrijpen, moet je de confrontatie aangaan met de ware aard van je eigen auteurschap, en dat zie ik er in ons huidige bestel weinig doen, geen enkele eigenlijk, man of vrouw, toch niet met de niets ontziende eerlijkheid en de zelfvernietigende grondigheid van de man zelf, een bereidheid om tot het bittere einde door te gaan,die je daarvoor nodig hebt.

soit, het maakt gelukkig ook dat mijn lectuurlijstje heel erg beknopt is. ik mag er niet aan denken wat het zou geven moest ik mij wagen aan een soortgelijke lezing van mijn favoriete Fransman, Henri Michaux, de grootste Belg aller tijden die ons, uiteraard, verlaten heeft. en wie, overigens kan hem ongelijk geven, Michaux? ware het niet dat Nederland zo vol zit met Ollanders, ik zou hier ook al lang de boel voor bekeken hebben gehouden.

hoewel als er één land ter wereld is dat een toonbeeld is van de ‘mystiek van het lelijke’, dan is het België wel! dus, alsnog: hommage à la Belgique,

au tarabiscoté horrible, cohin, saërdant harnac émésine ou délicieux sentiment trouble de la culpabilité, informe et biscornu, ou désordre hideux!

BR, [REQUICHOT 2002, p.107-108]

*in tegenstelling tot de auteurs die Chevrier vermeld, weten we van James Joyce wel dat die in Bernard Réquichot een fervent lezer vond: Ulysses was volgens een getuigenis van Dado zowat zijn lijfboek: “

« (…) Bien sûr, il aimait beaucoup Michaux et Joyce – il lisait Ulysse, c’était son livre de chevet – et son autre poète préféré, c’était Alexis Léger, Saint-John Perse. Si tu veux, Réquichot a fait mon éducation (…) » http://www.dado.fr/dado-peintre-requichot.php#note19b
[CV-PII 2016 p.85]

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • je vocaliseert daarbij het woord of de frase
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • neem je jouw vocalisatie voor minstens vier iteraties op
    • teken je de geste
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma:
– een potloodtekening met een titel in een vreemde taal
– een geluidsopname van vier herhalingen van 1 uitgesproken woord of frase in het Nederlands (met NL tongval)
– enkele universa aan nieuwe betekenissen

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

ARTAUD 1947: Artaud, Antonin, Van Gogh le suicidé de la société, Gallimard, Paris, 2018, ISBN 978-2-07-076112-8

ARTAUD 1956: Artaud, Antonin, Oeuvres Complètes Tome I, Gallimard, Paris, 1956

BARTHES 1995: Roland Barthes, Oeuvres complètes vol. III , Paris: Seuil, 1995

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHAUVIRÉ 2003: Chauviré Christiane, Phénoménologie et esthétique. Le mythe de l’indescriptible chez Wittgenstein dans Rue Descartes, nr 39, Wittgenstein et L’art (februari 2003), PUF

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

FREUD 1989 I: Freud, Sigmund, Colleges inleiding tot de psychoanalyse . Inleiding tot de psychoanalyse 1/2, Boom Meppel Amsterdam, 1989

KUSTERS 2014: Kusters, Wouter, Filosofie van de Waanzin, Lemniscaat, Rotterdam 2014

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

MURRAY 2014: Murray, Ros, Antonin Artaud, The Scum of the Soul, London, Palgrave Macmillan, 2014, ISBN 978–1–137–31057–6

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960