het moment 34

nog even en het heeft zijn dode toekomst ingehaald. het woord is al weg, de straat ervan is opgebroken. er stijgt nog zang op van voltooiing waarin het zweven kan terwijl de wereld barst van zelfgenoegzaamheid. iemand zeikt het wat complimenten in de mond.

een cluster klanken wil nog iets beduiden. ‘deze winter bloeit de winter open met een naakte rug’, zegt het, en: ‘de koude brengt in iedereen de koude tot zichzelf.’ het leest witte haat in de starre ogen der gestolen gezichten.

de raven staan te pikken op de lege wei. het is november, de eerste scheur in het behang. het legt verklaringen af, een oprisping leek het eerst, met mondjesmaat, maar al snel braakt het zeeën van zurig slijm. er is het onmiskenbare gevoel van totale bladersterfte.

het bracht een ijl en langzaam lied in haar. het bloeden is al niet meer te stelpen. strompelend van duisternis naar duisternis ontdekt het de onbegrensde weidsheid van het ware veld.

invoertekst (2015)