het moment (28)

het lichaam dat haar lichaam raakt is algeheel gebrek aan toeval, onafwendbaar als eclips, wet van elke constellatie en in zijn raken reine ballistiek. de tijd verliest haar tel.

haar maan is in zijn stralen goudomrand. kraters verdwijnen, vlekken slaan als duizend tongen om haar heen. als zon en maan omarmen zij innig het ingekeerde binnenlicht: de duisternis. haar vingers in de zijne verstrengelen verscheidenheid tot het ene dat op het tipje van de tongen ligt.

de mens is een beschrijfenis, onleesbaar gekrabbel in de nevels der gedachten. alleen de vogels hebben weet van wat hier echt gebeurt en hier en daar een kind dat alles in de dwaze ogen van een baby-broertje leest.

droef de minnaars dalen af naar het bestaande. het niets verslikt zich hier, in dit moment. een vorm van zinsverbijstering, want het licht is niet van hier, het is onzeker en het draait en twinkelt aarzelend, nochtans men noemt het: ‘alomtrent’.

invoertekst (2015)

cdbv99 -2015