het moment (30)

in de zich tot duur ontrafelende tijdloosheid mengen zich de slierten zaligheid met slijm en slijk tot een slingerende amplitude van genot. niemand, zij of het of wie of wat dan ook, beseft wat zij in hen heeft aangericht.

ooit misschien, wanneer het zwarte deken van de dood ons overvalt, wanneer ons levenloze lijf tot ster en stof desintegreert, wanneer het licht ons algeheel ontbreekt, wanneer

wij ons zelf nergens meer vinden kunnen, kunnen wij iets van hun moment beleven. het weze ons gegund, maar de kans lijkt ons gering dat wij als wij aan zulk een niets deelachtig kunnen zijn.

ze trillen na. in de verduurde woorden die wij meester zijn, mengen zich de genoemde slierten slijm met de slingers van genot tot wat voorheen ondenkbaar was: het leest ons en langzaam glijd het weg uit haar.

invoertekst (2015)