het moment (31)

uit het ergste leed komt voort subliem genot. uit de wanhoop is de taal verdreven en zo wanhopig leven heeft een zuiver zicht. het ziet zich naakt geboren, sterven, en leest in beelden gans het lot. zo de duisternis offreert het licht aan uitgelezen ogen en in dat licht wordt tijd de duisternis fataal.

het schrijft en wat u leest brengt taal tot leven, het wemelt er van ‘ik’ en ‘jij’. wat binnen is, plooit buiten ons de ruimte om. wat buiten is, wordt binnenin door ons bepaald. nergens is de plaats die er niet is, omdat er niets de plaats naar iets vertaalt. o ledigheid van zin, welk een wrede tederheid verscheurt jouw ‘ik’ daarin!

de tijd vindt altijd woord en plaats. bij ontstentenis van taal zou de tijd zich vrij naar overal verspreiden, één ogenblik van licht waarin hij nu gevangen zit. maar in het Rot de tijd telt als de naam van god de weerstand af naar eenderheid alwaar het niets wordt alomtrent. er is geen hoop.

het richt zich op, en sterft in haar, zijn leven wordt door haar totaal omsloten. de tijd splijt, en maakt dit ogenblik moment van verte, onaangedaan door eindigheid. en uit dat nu rijst dan haar felste licht.

invoertekst (2015)

cdbv 2015