ViLT

Neue Kathedrale des erotischen Elends, nl weblog (v.2)

ANNA

[Dag 694]
&

Een boom in dit huis, uit de vloer vorkt een stam, de daksponten kraken. Je wordt het salon uitgesleurd, men duwt je het bad in, een gezichtsloze vrouw haalt in een oogwenk met een glasscherf van je beide armen de slagaders open. Een gordijn van blauwgrijze lianen wordt over je hoofd getrokken. De scene verwildert. Handen slaan, duwen, hakken. Donker kloppende zuigpompen sleuren je benen omlaag. Dit is verdrinken : je stem die nog uithaalt met een mondvol water, je tong als een lamme prop in je keel, het barsten van de tijd in je hoofd. Op je laatste moment zie je de twee syllaben drijven in het midden van de inmiddels woest kolkende stroom. Twee schelpen van water, eivormige vliezen met hun scherpste ronding in elkaar gehaakt. Anna.

Je wil terug, maar de opgaande zon heeft als immer de geruststellende grootte van je voet, (linkervoet, rechtervoet : dat dwingende tempo). Zekerheid houdt je gevangen. Uit vier zwarte hoeken in de smetteloos witte ruimte is Bach’s ‘Wachet auf’-kantate al halfweg haar steile klim van bassen naar koor. Droom je of ben je in je droom vermoord, is dit je zelfbereide redding of ben je de afgeschrevene , de uitgediende slaaf die nu nog met sardonisch genoegen de put van dit leven werd ingekeild ?

Vijf jaar lang dien je deze dagelijkse hinkstapsprong te herhalen : boom, water, zon. Vijf jaar. Daarna wordt er voor je gezorgd.

Wanneer is het aftellen begonnen ? Zijn er twee schrikkeljaren bij, of maar één ? Waar is Anna ? Trek je kleren aan, stel je die vragen. Tel de stappen naar de spiegel, stel je die vragen. Borstel je tanden in hun ritme. Ontbijt. Doe je werk.

&

Het appartement heeft geen vensters, maar de muur naar het oosten is een vierkant van glas. Geen tussenmuurtjes, geen kamers, niet moeilijk doen. Hou het eenvoudig : de deur centraal in het westen, rechts daarvan het bed, links de zetel gericht naar het wereldscherm.
Voedselvoorziening & reinigingscabine in de noordelijke wand ingebouwd. Werkblad zuidelijk. Het geheel is een balk van 5 hoog, 5 breed, 7 diep, gericht naar het oosten. Afstand doet er niet toe, de verhoudingen dienen te kloppen. De deur is een deur die niet opengaat.

Geen kleuren, dat is overbodig. Alles is wit. Door de glazen wand zie je ‘s nachts de sterren & wolken & ‘s ochtends de zon : kleur zat. Binnen is het wit, met de schaduw van iets wit op wit, je huid in een wit uniform. Staar in de spiegel, kijk naar je iris : wat zit je te zeuren om kleur ? De grond kan je niet zien door het glas, sporen van andere bouwwerken daaarop evenmin. Daarvoor is het hier te hoog. Sterren, wolken, zon : niets anders dan dat. Zijn er nog vogels, of is dit ook voor hen te hoog ?

Zwijg. Hou je koest. Beperk je tot het nodige. Zet je neer. Adem in, adem uit.

Links : spreid je vingers, leg je hand op het voelvlak, denk aan niets. Rechts : draai je hand om, beweeg de rug over de rand van het werkvlak, denk start. Floep. Haar stem in je hoofd. Haar lach op het scherm. Luister. Hou van haar stem. Bevestig ontvangst van de taak. Uitvoeren.

Wat is er met de maan gebeurd ?

&

De deur gaat niet open. Wanneer gaat de deur open? De deur gaat nooit open. Zwijg. Halfweg je werktijd & je hebt nog niet eens je eten verdient. De score in de linkerhoek maak je niks wijs. Hou van haar stem. Adem in, adem uit.

Sneller die rechterhand. De wol van haar trui knarst op haar huid. Ze had het koud. ‘Heb je het koud ?’ Begraaf je gezicht : geur bijstellen, & de indrukbaarheid van de stof, hoe je de haartjes tussen je vingers kan pletten tot een plaatje, net hondenhaar.Meer nadruk op ‘zien’. De zweetplek & het kleven van je huid op het leder van de fauteuil, nu je opstaat, trui van de vloer raapt. Wol op je arm. Chips op de vloer. ‘Niet doen : zo maak je d’r gaatjes in.’ Wol glijdt van de vloer op je arm, op haar buik & een bos haren duikt als een mol door de halsopening. ‘Heb je het koud ?’ Minder zaad in die spermavlek, je had al een week teveel gedronken. Begraaf je gezicht, priem met je pink door de wol naar de huid van haar buik. De tekening in het behang vervaagt tien frames langer, verdomme toch, het was een PAL-tape! In godsnaam :Cat People / Paul Schrader / Europa : dan weet je toch wel dat het PAL moet zijn : méér frames, méér pixels, méér lichtdynamiek. Rustig. Hou van haar stem. Begraaf je gezicht. Meer nadruk op ‘zien’. Het geluid van huid die loskomt van het leder. ‘Heb je het koud ?’ Priem met je pink. Een harde tepel.

‘Toe nou : ik wil dit zíen !’

Een hond, nietsvermoedend. Je staat achter hem, hij is je aanwezigheid vergeten, je hebt een stok in je hand. Hoelang voor je hem slaat, krimpt die hond in elkaar?

&

Werken is ontspanning, & dat heb je nodig. Maar eerst eten. Druk je gezicht in de holte, je masker in het masker in de muur. Open je mond. De geursimulator zet het grommen van je maag in gang. Je lippen door duizenden tongen betast. Glijdingen, kronkels, het priemen van peper & de vers krakende sla op je tong. Sappen schieten je verhemelte langs, een zachte, zeemzoete bal ontrolt zich in je keel tot een warme slang in je slokdarm. Kauw maar, & bijt, ruk uit het leven dit vlees. Breek dit brood, dompel het in de saus, zwelg deze wijn. Vermorzel je honger, ontdoe je van dorst.

Je denkt & je bent een grote kat met zijn voedsel in de bek, je hoort het kraken van de botten tussen je tanden, voelt de wind van de savanne zachte cirkels in je pels maken (of een man met zijn mes in de buik van een andere man, sijpelend bloed, nieuws in de kranten. Wanneer gaat de deur open ? De deur gaat nooit open.

De druk neemt af. Als een zeemvel voel je hoe je huid de holte uitglijdt, los van de muur, weer van jezelf. Je honger is gestild, je slentert geeuwend naar de badplaats. Vlei je eerst effen languit neer, rol je om, schuur je pels aan de schors van een neergestuikte boom. Plons dan, speels uithalend naar een wegstuivende gier, in de vijver.
Nee, het helpt niet. Hoezeer jij ook je best doet, hoezeer men ook zijn best deed om het te verdoezelen : wassen impliceert het gebruik van water. Doodsangst, al voor je je kleren uithebt. Verkrampende benen als je het verstuivingspak aantrekt, de ritsluiting sluit. Droge keel, bonzend hart nu het zoemen begint.

Je voelt geen vocht, maar je weet dat het er is, & het is er rondom, je hele lichaam rond. Hooguit vijftig seconden. Hou je adem in . Luister. Er is nog nooit iets fout gegaan met onze drukreinigingspakken. Hou van haar stem.

Waar is de maan ?

&

Twijfels bij de zin van dit bestaan ? Onrust & angst, maar vooral : je wil de wereld begrijpen ? Neem een stoel, ga naar je tuin. Kies een plant uit, maakt niet uit welke. Zet je stoel voor de plant, neem plaats, kijk naar de plant. Denk aan niets anders dan aan wat je ziet. Neem waar die plant. Blijf kijken. Begrijp de wereld.

Je staat als een blad te trillen van je bad, het kolkt in je kop & je tong spelt obstinaat de vier letters van haar naam. Anna’s mantra tot het hijgen stopt. Gelukkig ontvangt de zetel voor het wereldscherm je slappe lichaam met beide armen. Net als vroeger, net als morgen.

Wat je geeft, moet je eerst nemen. Als je het niet kan nemen, moet je het krijgen. Aan alles is gedacht. Er wordt voor je gezorgd. Je geeft kennis, dus moet je kennis krijgen. Staat de plant op het scherm voor je ernaar verlangde of heeft het verlangen de plant op het scherm gebracht ? Zwijg toch. Hou je bij het noodzakelijke : daarnet bestaat niet, seffens ook niet, enkel dit. Nu.

Dit: de plant op het scherm is een distel. De scherpe bladeren schroeven met vlijmende stekels de ranke stam vanuit een wazig gehouden weiland de blauwe hemel in. Purperen bloemknoppen wiegen dreigend in de wind.

Weiland, hemel, distel. Alles hetzelfde, keer op keer, je zat er al honderden uren naar te kijken, afgemat van je bad & je werk, maar telkens ook (je bént al die distel): iets nieuws dient zich aan, een lekkage, een zich uiterst langzaam uitbreidende zwarte vlek op het volledige niets van de kraakwitte muur in je brein & je voelt & je weet nog hoe je klom & je klimt de zwarte, rechte weg op richting gletsjer aan de horizon, het is ondraaglijk heet onder de zon, je voeten branden op de weg, & je ziet slechts stenen & gruis links van je, gruis & stenen rechts van je & achter je de eindeloze weg & in de verte de vage schittering van de gletsjer & je denkt als ik kan stappen zonder te ademen, beweeg ik misschien als de lucht over het pek van deze weg.

Maar de gletsjer rolt minachtend haar ijzige tong uit de mond van de berg & de weg kleeft als een bloedzuiger aan je voeten & meer nog, de hemel recht voor je – je ziet het meteen – begint zich plots als een hol gebogen spiegel te krommen in een punt, pal boven de gletsjer. Met een ijzingwekkende vaart komt het zwarte punt op je af, neemt de vorm aan van een wolk, geen donkere wolk maar een inktzwart rafelig kluwen van slierten dat op ooghoogte met bolbliksems op je afstormt. Op het ogenblik dat je weet dat je tot een hoopje verschroeit zal worden, dat alle lucht in je longen je lichaam is uitgezakt, dat de speer van de angst je door de onderrug aan de grond gespiest heeft, knapt er ergens iets, een droog krakje & zit je weer als een zak vlees voor het beeld van de distel in je kooi.

Urenlang, ononderbroken. Het beeld van die distel in je brein gegrift. De wereld is de wereld is de wereld is het beeld van een distel in je brein gegrift.

Trauma. Herstel. Trauma.

Je zit te pulken aan je navel, je denkt ik ben een gevangene & je bent een gevangene in een kerker diep in de buik van het oude Parijs, voorgoed aan het oog van de wereld onttrokken, onbereikbaar voor de stijve vingers van de geschiedenis, levend begraven. Geen straaltje licht bereikt je, je moet je regelmatig van je bestaan overtuigen, knijpt in je hand, je armen, je borst tot je in de wonde het geruststellende, warme vocht kan roeren. Tot je weer ontvankelijk wordt voor het grommen van de aarde, tot de aarde gromt. De beelden in je hoofd vlammen op, bolbliksems die je cel in lichterlaaie zetten, een vlammend kader wordt er opgericht, een bouwwerk van beelden voor de beelden met een bericht: je ziet je huis, je ziet het vervallen krot dat eens je huis was, enkel toeristen met nieuwsoortige camera’s verwaardigen zich soms nog om door het raam naar de leegstand te gluren, een dikke vlieg ligt verdroogd & met stof op de vleugels op een vensterbank, je ziet een oud vrouwtje, haar broze geraamte in de gelige flarden van wat ooit een bruidsjurk was, je ziet weer je oude werkkamer, het oude vrouwtje hoort erin, ze knelt een roestbruin kussen op haar schoot en knijpt in een hardnekkig ritme, stopt & prevelt iets & knijpt.

Stop. Je zit te pulken aan je navel, je bent niet langer die gevangene.

Elke gedachte, elk verhaal is als het bloed in je aders, je zinnen volgen gedwee de weg van de minste weerstand, tot ook die dichtslibt.

Vervaging, ontplooiing, vervlakking.

Distel. Tot het donker wordt, tot je speelt dat het donker wordt. Niets nog geeft licht in je balk dan dat groene prikkelding in je oog. Is er nog iets, achter je rug, achter de leuning van je wit-vilten stoel? Iemand? Een dreiging? Dit soort aanwezigheden ben je vergeten zoals een wolf in de zoo zijn roedel vergeet. Ook aan fantoompijn komt ooit een einde. Het is slapenstijd. Een solferkopje flitst onooglijk op het scherm. Brandt ook zo de zon op, uiteindelijk?
Volslagen duisternis, want licht is overbodig nu. Heb kennis van de weg naar je bed. Ontdoe je van kleren. Bestijg de slaapholte, zak in de slaapzak in het hol, doe de zak dicht in het hol.

Verdoving, verstilling, ontaarding.

Wie neemt er je mee? Waar naartoe? Is er nog iemand? Doet het ertoe? Voel je huid, wrijf een hand op je huid, voel je nog de mogelijkheid?

Je droomt dat je wandelt & je wandelt door nauwelijks verlichtte straten, maar het is er veilig, want je draagt een hoge, glanzend zwarte hoed & er loopt een vrouw aan je arm in een zalmroze jurk, een zijden sjaaltje ligt als een huisdier te glijden tussen het scherp van haar schouderbladen en de weekste plek in haar hals. Je komt op een binnenplaats, bestijgt samen met andere mannen onder zwarte hoeden & slanke vrouwen in feestelijk gewaad de marmeren treden van het operahuis, boven je hoofd zie je nog net in de schittering van gouden letters een onleesbare spreuk onder het portret van de koning verdwijnen.

Even later geeft een kaalhoofdige man vooraan instructies, de dirigent dirigeert zijn honderdkoppig orkest. Het doek opent op een gigantisch leeg podium. Achteraan zie je al haar gedaante wazig bewegen in de langzame aanzet tot een dans, de belofte van dat lichaam, de nu al verblindende aanblik van die vrouw. De dirigent maakt brede gebaren, hij wil het gebouw tot in de kleinste uithoek vullen met de geraffineerde klanken van de muziek, wil van zijn cello’s geen passie maar het oorverdovende brullen van een uitslaande brand, van de violen niet een zuchtend verlangen maar het onwereldse klateren van brekend kristal & van de hijgende koperblazers een exacte kopie van de hitsige kreetjes van zijn jeugdliefde.

Niemand ziet hem, niemand hoort iets.

Het gepeupel in de engelenbak niet, de notabelen op het balkon niet, de Secretaris met zijn maîtresse in de koninklijke loge niet. Haar kleinste beweging maakt elke muziek overbodig. Hier & daar zie je dan ook al een muzikant zijn instrument wegleggen, het slagwerk heeft zich omgedraaid, de eerste violist & als 1 man mét hem alle strijkers, leggen de boog & de snaren & de dodende blik van de dirigent naast zich neer. De muziek sterft uit als het gepruttel van een kleuter die weet dat hij zijn zin toch niet meer gaat krijgen.

Haar naakte voeten op de podiumplanken, de rust van haar subliem gecontroleerde ademhaling: het publiek is als bevroren. Niet het minste kuchje in de zaal.

Transfiguratie, metamorfose, voleinding.

Haar lichaam is duidelijk, ze spreekt heldere taal. Na elke zin staat ze met gesloten ogen een eeuwigheid stil tot het laatste woord in al zijn betekenis is doorgedrongen. Sneller als een kogel gaat haar blik dan naar steeds hetzelfde punt in de zaal & hervat ze als een wervelwind dezelfde zin.

Kijkt ze naar jou? Uiteraard. Heeft ze een naam? Jazeker. Wie is dan die dansende vrouw?

Hou je mond. Blijf kijken. Doe je werk.

&
Een boom in dit huis, uit de vloer vorkt een stam, de daksponten kraken. Een oude handgehaakte sprei geurt muf op je benen, de thee is al lauw.Je hoorde een geluid, je dacht dat het de storm was buiten, maar daar wordt je het salon al uit gesleurd, een gezichtsloze vrouw sleurt je de kleren van het lijf, je wordt het bad ingeduwd. De scene verwildert. Wakker worden. Handen slaan, duwen, hakken. Oefening, oefening. Haar stem in je hoofd. Hoe lang is nog maar geleden? Twee dagen? Een week? Het heeft geen belang, er is toch geen tellen aan, nergens kan je in krassen, geen teken houdt stand in het smetteloze wit van deze ruimte & de groene balk op het werkvlak lijkt wel voor eeuwig stil te staan op net iets meer dan twee vijfde van de weg. Is er er wel voortgang, vooruitgang, vordering? Maakt het wat uit?

Oefening. Opstaan. Je weet wat er van je wordt verlangd. Niet aarzelen: je ritst jezelf weg uit het gat in je droom, je holt naar de glasmuur, plakt je neus tegen het glas, kijkt naar de vlek van je adem op het glas die uitdeint, ogenblikkelijk krimpt & verdwijnt. De zware bromtoon van het hydraulisch systeem zet in.
Niet aarzelen, niet omkijken, niet denken. Met een hels gesis slokken de wanden het weinige meubilair op. Dat weet je, dat voel je, dat je zag je ook die ene keer dat je wel keek. Niet bewegen. Doe je niet wat je doen moet, dan krijg je een stroomstoot van hoge voltage door je naakte lichaam. Langzaam zetten de wanden zich in beweging, de balk wordt smaller & smaller, ook de muur met de deur komt op je af. Je adem gaat sneller, de wasem versnelt, je hartslag verdubbelt.

Nog niet. Je wordt niet verpletterd, een schrille fluittoon waarschuwt je, de druk wordt met de buitenlucht gelijkgesteld, je klemt je ellebogen tegen de zijwanden die je nu nog net een meter laten & daar schuift het glas weg, je wankelt in de felle kou die je plots overvalt want het is koudkoudkoud buiten & er staat een strakke wind waar je binnen niets van merken kon. Maar je wordt ook nu niet de afgrond ingeduwd, het is je zelfs toegestaan de maximale steun op te zoeken van het metertje grond dat je hebt, je mag knielen, je mag bibberend je neus over de rand van het platform steken, naar beneden turen, links, rechts, onder je, nee, ja, nee je bent niet alleen, want onder je, zo’n tien, twaalf meter lager zie je nog zo’n hoofd als een larve uit net zo’n platform als het jouwe wriemelen.

Ernaar schreeuwen helpt niet.

Elk geluid gaat verloren in de wind & je bent op je hoede want in de eerste weken (of was het later) was er één rakelings langs je heen naar beneden gestort, je had zijn gil gehoord 1 eeuwigheid lang toen het beeld van van een klapwiekend lichaam al een tel verdwenen was, maar zeker ben je niet want toen je het begreep was er beneden al niets meer te zien & wat maakt het ook uit of je nu zegt iemand sprong of iemand werd geduwd of ik droomde een val?

De wind giert & je kan 1, 2, 3 van je lotgenoten onderscheiden op twaalf meter afstand onderling, net zo ver tot ze samen versmelten in een strakke lijn die op zijn beurt in de witte leegte onder je verdwijnt. Springen is geen optie.

Het glas schuift terug, je metertje verbreedt zich weer, je hok deint uit tot alles weer uit de muren geklapt, glanzend & ordelijk, van huidschilfers & haartjes ontdaan perfect het oude is, naadloos nieuw & wit zoals het was, net als de vraag die weer opdoemt & het oude vertrouwde antwoord van haar stem in je hoofd. Springen is geen optie.

Hou van die stem. Mijn stem is een anker.