19/02/2019

18/02/2019– dagboek data – 27/02/2019

  • de regen maakt arceringen op het dunne wit van de uren. vette
    strepen, daar waar het krom gebogen naast de pantoffels in het donker loopt de toiletdeur te zoeken. eksters krassen grappen in het gapen van een woordspeling.
  • grijze stippen stippen aan waar het dagenlang met de vingertoppen de foto’s van de kinderen aftastte, het spoor bijster van de warmte die er was. de vraag naar wie het was welt maar doet slechts braken. in het reine wit de klok die stilte tikt, het zoemen van bloed, een ademhalen, en de pijnscheut daar, waar het zich in haar afwezigheid verslikt. het vordert, het glijdt weg in de kussens.
  • er is nog een woeden onder de woede, een afschuw onder de walging, de bodems blijken keer op keer doortrapt en lelijk zoals alleen een valse metafoor kan zijn. het licht van de lamp tekent de lamp op de deinende lijven, op de vertwijfelde gezichten om licht te kunnen blijven. de boeken slikken het roemloze snikken in het aangehaalde snikken, de hand troost en verdwijnt in de troostende hand die alleen ligt in de plots sterk verouderde hand. ha, er is nog wijn, het kan nog nergens zijn.
  • de hand stipt de bewegingen aan van de hand onder de hand, die hand die het oog draagt dat aan de trildraden  in het verzonken zwart hangt te bloeden. en de bewegingen bloemen op als inktwolken in water: het glooien van zich opspannende rugspieren, de witte angst in de gezichten, de zoekende mond die geen tong vindt, geen tanden of lippen meer.

“ik heb de steile klim getekend” schreeuwde de schilder verbeten, “naar het schone en het schone heb ik ontdekt in het steile klimmen van de felle kleuren naar het stille wit en hoe ik daar middels fijnzinnige krullen en letters uw verschijning de verpletterende bel  van het ontwaken 
kon aandoen, de oorverdovende roep van het Ene.”

ga jezelf toch wat lopen fokken, man.

  • over de vlakte die onze vlakte is, ligt het veroverde vlakke in de wind te drogen en de geurige hersenschimmels vliegen ons bij het verkrampen in de ogen, alsmede de rode kristallen van de woordenmuur, de slierten scheldwegverf uit de grote hebgoederenpot, het rozige balken van de verknechte dieren, de gekraakte libellenvleugels, het zwarte schopschoenenleder…
  • in het wieken binnen het  luchtwieken bij het verwaaien verdwijnen de wieken die het waaien in het licht drijven en het droeve wordt ons van de lijven gerukt als ware het genaaid uit de huiden die wij ons lang geleden al afstroopten, en is zulk een smakeloos vertoon niet het plaatsloze zinderen gelijk dat onze stemmen tijdloos hun stem geeft, uiteindelijk?
  • de eigenaar van de blauwe Daewoo met nummerplaat WOIIINU wordt dringend verzocht zijn wagen te verplaatsen. het krassen van de gebeden op het kogelvrije glas van de code mengt zich in de naar adjectievenoverdaad neigende zomerbries. men gewaagt van een nieuw hoogtepunt. de molenstangen met hun roestige grijpers voeren nieuwen plokken lijk aan.

een jongen van een jaar of tien loopt gehuld in een wapperend wit laken de eindeloze rij schermen af. aan een van de schermen zit zijn vader te huilen omdat die blijkbaar een vlek inkt gemorst heeft op een ongelooflijk gedetailleerde tekening van een zeilschip. de jongen duwt de vader een stok in de hand, knielt en houdt zijn handpalmen open. “sla mij” zegt de jongen, “dan gaat het huilen weg”.

de vader slaat 3 rode strepen in de handen van de jongen. het huilen gaat weg. de jongen begint te tekenen. de vader hult zich in het laken en gaat de schermen verder af.

18/02/2019– dagboek data – 27/02/2019