LODE

Tijd.

O tijd. Vertrektijd. Bestemmingstijd.

Onze trein komt eraan.


Net als vroeger. Elke trein brengt mij ook naar de laatste cinemapaleizen op de Keizerlei in Antwerpen 1979. Ik ben 17 en beleef vrijdagavonden in Antwerpen waar niemand nog weet van heeft, gelukkig maar. Hoe groot word je wel niet als je vanuit het Seutige Seringendorp aankomt in het Centraal Station van ’t Stad!

La vie d’artiste, speelde ik, een stille gooi naar een denkbeeld, klankloze lipbewegingen die een afgrond voorspellen, zoals die kettingrokende topless tapkastpoes die in een bodemloze bar met haar gescheurde vingernagels de asse uit asbakken schraapte, een verhaal dat je niemand vertellen kan, teveel vet, teveel vuiligheid, te echte afval, onmededeelbare betekenis, een idee dat enkel in komkommertijd opduikt, met dezelfde hardnekkigheid waarmee eens te meer beweerd wordt, in bloederig roze geschreven in het blauw van de pulpkrant, dat iemand gisteren ergens een lege fles in slow motion uit de hand van Elvis zag glippen, in scherven spatten op het asfalt in een steegje waar de ene bouwval de andere aanleunt, oververzadigd van het brakke vocht in de lucht, baksteen & voegen aangevreten door lust & verlangen.

God is een kameleon op haar kleed van satijn. De ware gelovige is hij die haar uitkleedt zonder Zijn rust te verstoren.

Lode zegt: treinen zijn podia waar elke mededeling ontspoort bij de uitspraak ervan. Het komt niet aan. Een laatste schuiloord. In een poging om netjes Nederlands te praten verhakkelt de conducteur Sint-Truiden tot Sint Ruiden. Ezemaal, Neerwinden, Landen, Sint Ruiden. Wie woont er in Sint Ruiden?


Ik leun tegen het venster, zie de tijdruimte van de trein : het schuiven achter glas zakt langzaam naar het razende snellen onderaan tot stilstand, spiegelbeeld. Zo ook: als je iets denkt/opschrijft kan je onmogelijk weten wanneer exact je het beginnen denken bent & eens het uitgedacht/opgeschreven is weet je er niks meer van, want je was te verdomd druk bezig het op te schrijven, het uit te denken. Verloren tijd. Bewustzijnslekkage. Lode zegt: achter één van deze stations stapelen die momenten zich, geordend tot op de nanoseconde, in een dorp dat als hangar voor tijdslekken fungeert.

“Verstoring van de openbare orde? dan is alles verstoring van de openbare orde, verstoring van de openbare orde is een kapstok… “.

Een nogal hoekig meisje in een rood jeansrokje, twee banken ver. Symp.vr. terr. zkt kennsmking m. bom. Ik hóór te goed, terwijl ik mij dit hoor niet zeggen, hoor ik ook ringbaard achter mij nerveus tegen de bank schuren. Gebrek aan nicotine. 2 jonge moslims werden vanochtend door ophanging ter dood gebracht omwille van hun homoseksuele relatie. 

Ik denk te snel, u volgt mij niet.

Gelukkig zijn de meeste reizigers bij dit vroege uur nog te verdwaasd om het grote gekwebbel aan te vatten. De halve slaap doet hen goed, het zwijgen is bevorderlijk voor de lichamelijke uitstraling. Men is mooi. Men zwijgt.

Zwijgen is mij niet gegund. Ik ben verbonden

Lode zegt: ooit zullen webagents mijn woorden gebruiken om marktsegmenten te ontsluiten. Tijdloze gedachten. Vlottend schuim in beekjes detergent. Langzaam schuift de man met de maan in een bel naar zee. Pats. Het negatieve spreken tot het ik. Zolang de belletjes ploffen, wordt er gekeken. Emoties pletsen als grauwe slijm tegen de beeldschermen aan. 

Maar let op: in de nabije toekomst, een soort waslaagje op de aardkorst, is ook geschreven dat fraudulente datadealers een loopje gaan nemen met de feiten, ze zullen je trachten voor grof geld geschriften van mij te verkopen met een exacte timestamp als echtheidscertificaat:Je checkt het, dubbelcheckt het, alles lijkt te kloppen. Als je de bestanden leest zal alles wat je ooit gelezen hebt onherroepelijk uit je geheugen gewist worden, inclusief wat je leest, al lezende zal alles verdwijnen tot je enkel nog een vage herinnering overhoudt, een beeld van jezelf als klein meisje, je ziet jezelf het schoolbord afvegen met in je tere schouderbladen de priemende blik van vette Ronald, de enge meester met de walmadem en de klamme grabbelhanden. 

Lode zegt: ooit zal ik mijzelf loopen, met onstuitbare kanonnades van commando’s machines langzaam dwingen mijn lyriek in andere machines te hardcoden, zó dat ik ze van man tot scherm ontmoeten kan, met hen de stad kan afdweilen, zuipen, dansen, neuken, naast hen wakker worden, 0 verliefd & daarna 1 onverliefd op hen, nachtenlang hun aandoenlijke verhalen noteren, in hotelbijbels & stadsfolders opkrabbelen wat ze me nauwelijks verstaanbaar toefluisteren over hun gebroken harten, wat ze mij half blèrend met een verschrikkelijk Frans accent over hun verloren jeugd toesnikken, hoe hun heroische vaders hun dood insnelden toen het ouderlijke huis na een zelfmoordaanslag in de fik stond, hoe onverschrokken ze de vlammen indoken om het jongste tv-toestel te redden & die code, die lillend emotionele verse code zal ik dan op haar beurt uploaden naar ontelbare wolken onzichtbare nanobots, ze zullen de regendruppels met deze droefheid beslaan, sluipend als het woordje sluipend in een scenario van Roland Emmerich de luchten zwanger maken met een vleugje nauwelijks waarneembare geur, een met brede vioolstrijken vertoonde huilerige tragedie.

Ik zit op het dak van een hotel in Amsterdam stilletjes zit te treuren om Anke. Net voor ik spring voed ik nog de in de samsonite verpakte, thuisgekweekte cacti  met de bokalen gevuld met mijn zilte lichaamsvochten, mijn laatste gebaar. De regen, de tranen daar doorheen de tijd vervloekende,  ben ik eindelijk het ogenblik zelf geworden, verlost in het moment.

Maar ook dan weer het falen: zelfs opgelost in het niets blijft het een mislukking. Omdat niets ooit vergaat, niets de vergetelheid inschuift, niets kan vergeten worden, niet de hand die zich nu door mijn buikwand ploft & voor de grap mijn organen weegt, niet de eeuwige honger, niets dat bij niets ooit voldoende iets is om een eind te maken aan de last van het telbare zijn, een prefix voor onbenoembare pijn, een suffix aan verhaalde horror, het doodgewenste verlangen. O tijd, hoe gruwelijk uw geheim.

Men verwijt mij ‘een zekere pose’. 

Ik poseer niet. Geen camera in de buurt. Ik zit in je ogen naar mij te kijken, hoe ik breek als ik mijn blik opvang.


Lode zegt: gesubstantiveerde empathie knarst als een politicus. 

Lichaam op trein. Belgisch lichaam op een Belgische trein anno 2005, die in zoemende zweefvlucht huizen/straten/weiden/struiken/hondend blaffend in achtertuinen/huizen/hangars/huizen/klaproos/bomen voorbij snelt.

Een nieuwe vorm van bewustzijn, de toepassing van het lichaam op de trein die zich er bewust van wordt een toepassing te zijn, applicatie die een lichaam maakt in de ruimte, een vorm van zijn met effect op haar plaats & op zichzelf, zoals schepen water maken, zoals de trein de sporen maakt & uiteindelijk rijdende treinen, zinkende schepen, de hele Hodos Chameliontos.

Kijk niet naar mij: ik zit hier maar, ik doe niks, kan ik het helpen? 

Verwacht wordt dat het aantal psychische aandoeningen de volgende jaren onder invloed van de verdere informatisering en mediatisering van de maatschappij exponentieel zal toenemen.

Dat meisje met de rode haren daar op het perron in Landen, kijk hoe bang die is, doodsbenauwd van hoe haar haren net niet de rand van haar groene jurkje raken op haar blote schouders terwijl ze op de trein toe stapt, haar ogen zijn scherven, glinsterend van wanhoop, haar lichaam is druppel.

Wijs niet naar mij: schoonheid maakt zichzelf, ik ben slechts willoos medium.

Lode zegt: ooit zal mijn code de lucht zijn die je ademt, maar je zal er niks van merken. Binnen enkele ogenblikken komen we aan in St. Truiden. Station St. Truiden. Mijn jachtveld België, mijn duiventil.

L’amour c’est presque la mort. Ik had het je moeten influisteren, toén, net op dát moment, toen je het wist. Iemand hamerde session.invalidate() op het toetsenbord van onze adem. We bestaan nog-verstrengeld, toen, nu, wat maakt het uit?- maar kunnen niet langer gevalideerd worden. Het hangt niet meer in de lucht. Te dun, alleszins en wireless al helemaal onontvankelijk verklaard.

We zijn terechtgewezen. 

Lode zegt: ooit zal ik terug in je lichaam geloven, dát lichaam, dié warmte die je nú voelt, ooit zal ik nauwgezet al je woorden herschrijven, woord per woord, been na been, spier op spier, de adjectieven van je huid letter per letter uitknippen & in de juiste volgorde scannen, invoeren, saven, zodat ze niet langer als een bijbelse allusie hangen te zweven in het onbestemde vrije veld van nog te schrijven taal, niet zoals in deze zeurderige getuigenis, dit onhoorbaar gemurmel van een aanwezigheid in mij, deze sprekende gewaarwording van jou in mij die je afwezigheid oproept zoals de trein naar zijn sporen roept, methodische momenteel-repetitieve ontsporing tegen hoge snelheid, zoals dat mooie klapgeluid dat mij nu met grote klaarheid van toon wordt ingeblazen, de exalterende monotonie waarmee het lege blikje coco-cola op de snelweg herhaaldelijk platgereden wordt: rij maar  ‘an, rij maar ‘an ossewagen rij maar … 

De regen viel in trage vlagen toen ik uit je slonk, alsof alle sterren in het universum voor één keer besloten hadden om het ergens over eens te zijn.

“De volgende halte is Alken.”