ViLT

Neue Kathedrale des erotischen Elends, nl weblog (v.2)

MAAIKE

&

[In]

Het is zeven maart & de maan staat vol. Er gebeurt iets, ik moet het vertellen. Het verraad is in de zin gebakken, genot met de o van o zo mooi. Je hebt mij helemaal, zeg ik, ik geef het op. Abdicatie. De straatstenen kotsen een eendere slijm, het rijmt, het is lente. We rijden samen naar huis. Ik geloof. Dit kan. Niet.

Tweeverdienerslogica is een schoon woord. Het glinstert met de onaantastbaarheid van het Ware.  Zoals je nu bent, ben je nooit meer. Seize the day, Saul Bellow, dacht ik maar je moet niet dachten je moet denken. Haar benen spreiden zich als een schaar. Mijn leven is een gebaar (kop eraf). Ik ben goedgelovig, intact. Het wekt verbazing hoe ik zo ver geraakt ben. Geraakt. Touchée. Blindelings.

Ze zegt niet nee, ze doet het alleen maar. Dit is wat er gebeurt met sukkels zoals gij. Van geen kwaad bewust. Heiligheid is de status van het zijn. Aluminium. Elementair. Menteuse. Klemstaal.

Ze komt klaar met de woorden ja jo ik heb u zo gemist, terwijl ik helemaal niet johan heet, laat staan jo.

Ge zijt ne goeie mens, zegt ze. Jaloezie, zelfs daar. Ergens halverwege zeg ik ja ga jij nu maar op mij liggen, maak misbruik, kom met de o van.  Vier weken na haar geloofsbelijdenis neukt ze met een zwitserse siciliaan, the cute type, met domicilie in Zwitserland. Het was onweerstaanbaar zegt ze & ik slik mijn trouw in (ze had zwart satijnen bortsomklemmertjes aan).

Het slijk waar we onze handen in draaien, keren. Mijn vader stierf zonder haar gezien te hebben, hij wist het wel. Voortgang. Ge krijgt alleen wat ge echt wil. Wie wou wie? Het weten verzacht niet. Blamage, een stripverhaal.

Broekjes uit.

&

Een plank op de grond, een tang, een hamer & een roestige nagel.

Izeganz staat voor mij met een bloedend gat in zijn hand, bevend,  maar wanneer hij begint te spreken verstillen zelfs  buiten de kraaien. Elke beweging verdwijnt, de stilstaande as van de tijd biedt enkel plaats voor de klank van zijn stem.

“ik sta zot van u Maaike, gij zijt een groot zwart gat in het oneindige veld van mijn gedachten, gij sleurt mij de letters als vislijnen uit de mond, de weerhaken scheuren mijn slokdarm, ik braak u de woorden uit de drek mijn dromen, ik wil ze niet zeggen maar ze broebelen & bruisen & botsen & ze moeten eruit want gij zijt zo schoon & uw lijf is het licht van een lampe & wij vliegen naar u als motten want in uw schoot worden de sterren geboren & versmelten het wit van de maan met het rood van de zon & in dat kolken slijmt ook de korrel van mijn ziel tot een groenige parel aan & aan & ik ben verworden tot een veelarmige krab met ne giftige worm in mijn schalen & ik scharrel maar wat rond op de bodem, ik schuifel & ik taffel & ik val om van verdriet & kolère & ik zie hoe het omhulsel verpulvert & uw zee overspoelt mij & ik krepeer”

Zijn lichaam verbrand ik,  de reine papieren van zijn geschriften besmeur ik met honing & ik eet ze op.  Een eerste getal keert weer naar de getallen.

&

“Sta zo niet met uw kont te zwieren, seffens komt de wereld klaar”.

Mijn tong raakt net niet haar oorschelp als ik het haar toefluister in de volle zaal. Er gaat een rilling door haar lijf, ze glanst gespannen als een eigenhandig door Cage geprepareerde piano. De eerste spreker komt binnen, het wordt stil in de zaal. De blauwe zijde van haar kleed raakt mijn handen, vervluchtigt, raakt mijn handen weer. Doodsoorzaak: tactiele bedwelming.

We spelen het spel tot het bittere ernst wordt. Alles slaat om. De ramen bedampen. De duisternis valt. De pret die zo onschuldig leek wordt om de hoek door het monster van de dag likkebaardend verzwolgen. Het ontoelaatbare is een klavier, we hadden het niet mogen beroeren. Nu klinken de eerste noten van de fuga klaar & obsceen & de gang naar het stretto is onherroepelijk ingezet. De logica is voor elke stem, elke noot onverbiddelijk. We pogen het met nuances nog te verbloemen maar de erotiek gaat kopje over in het pedalenspel. De monden rondom ons verstommen. De blikken staren wezenloos naar het stralen dat wij in hun midden zijn. Niemand kan aan onze melodie weerstaan. Een duale vlam in de as van de tollende eeuwigheid.

Ik kuch. Maaike lacht. De spreker ademt. De spreker zucht. De spreker schraapt zich omstandig de keel. De spreker is een Pool. De spreker spreekt Pools dus iedereen grijpt naar zijn oortjes.

“Koedievenink laidiesengentelmin” . De vertaling is het schuim op de Volga van een diepe vrouwenstem, ze heeft vast ook nog wat restjes groenige steppe diep in de keel. Het onderwerp is “Artistiek gebruik van genetische algoritmen geprefigureerd in het werk van Pavel Filonov”.

We kwamen omdat we wilden komen, toch? We zitten als mussen in een zwarte vlek slavistenkraaien en kunstraven, iedereen benijdt ons het blos op de wangen.

Straks gebeurt het, telkens weer.

&

– Ik wil niet. Ze dwingt mij, maar ik wil niet.
– Wie is ‘ze’? Over wie heb je het?
– …
– Wat wil ze? Wat wil ze dat je doet?
– Het mij herinneren. Ze dwingt mij maar ik kan het niet. Het is verschrikkelijk. Haar stem, dat lichaam…
– Hoe heet ze? Kan je dat zeggen?“
– Maaike, natuurlijk, ze heet Maaike, dat weet je toch…
– & Wie ben ik ? weet je nog hoe ik heet
– Jij? Jij bent Marieke. Hè? Wat is er toch met jou? Jij bent toch Marieke , zeg mij dat je Marieke bent…”
[Anxiolyticum toegediend –injectie 8mg Lorazepam]
– …

[geen merkbaar effect – 4x 40 mg injectie Diprivan]

&

Een duif glijdt van het dak honderd meter verder naar een boompje zonder haar vleugels ook maar één slag te bewegen. Ze schuift haar lichaam bij de hengsels in de rail van hier naar later. Daar bij het gammele poortje, daar sta je te zwaaien, je hebt het koud & je wil weg maar je lippen blijven maar bewegen van ‘nu’ & van ‘dag’ & ‘tot later’. Een fikse bries bolt even je rode kleedje, je haar zit goed, je weet wat je doet.
& Dan draaien je armen weg in het af van de eeuwigheid.

Ieder van ons weet hoe het telkens weer eindigt, we hebben de vogels niet meer nodig om het ons in te wrijven.

“Werk standvastig aan ieder klein onderdeeltje (ieder lid) van het schilderij. Schilder zonder omhaal dat stukje dat je wil. Veeg je voeten aan het gemekker over ‘het overzicht’ of ‘de grote lijnen’. Laat alles zich vanuit de kleine onderdeeltjes organisch ontwikkelen tot de hoogste graad van evolutie, dan ga je vanzelf wel het algemene zien, maar dan vind je de grote lijnen daar waar je ze allerminst verwachtte. Als je het zo hebt afgewerkt, kan je nog zien of er nog een laag op moet, soms zijn er wel negen nodig, maar blijf schilderen, maak alles, jij moet alles maken, jij maakt elk atoom, jij maakt elke molecule!”

Verheffen nee ik zal je niet verheffen hoe kan ik ook: de lok van je haar heeft de krulling al van het licht rond het duister dat je trekt, de weerschijn is mij een uiterst wulps gebeuren, een veld dat schittert als een onvoltooibare ontvangenis & de zon likt je de lippen open. We verbijten het schone tot we barsten van gebrek. Wat zouden wij spreken, wie zouden wij berichten, elk woord is slechts een beklemmende keuze, onze tongen liggen ons als een lang verworpen slangenvel in de mond, de zinnen hangen ons als doorgesneden touwen rond de rood gestriemde hals. Ja: we kwamen op tijd, net op tijd om net te laat te komen.

“De aarde is verlaten als een door wormen opgegeten huis. En inderdaad zit in de mens, in zijn onderbewustzijn een streven naar ruimte, een hang naar een ‘breuk met de Aardbol’.”

dyr boel sjtsjyl: van de heureuze geruchten stuikt het mombakkes in tot een anus.

Wij glijden in & uit elkaar & zijn daarin welhaast volkomen vrij. In de stad die ik open plooi tussen je benen ligt het verderf op de volschietende pleinen als een mensenmierensliert slijmerig te krioelen, weerbarstig van klank & vol vluchtzieke schaduwen . De beelden krimpen, de bewegingen versuikeren, je kan de klontjes van ons leven tellen, & veel is het niet. Seffens kom je hier weer voor het eerst, seffens begint weer je lach te verduren, seffens sta je aan het poortje & zwaait je armpje de woordenlappen van de zonnepop die je bent als je lacht.

&

Er is geen moment dat wij niet zo vermoorden, wij zijn meesterlijk & wreed, meesterlijk meedogenloos, vooral voor onszelf.

Beneden begint de afwasmachine het einde van haar programma te verkondigen. De biebjes en de alarmen schrijven de afmetingen van onze huizen als groeven van ergernis weg in onze breinen. In duizendvoud tikt overal een eendere klok, haar monotone regelmaat is onze bewogen & bewegende kerker, ze dwingt elke gedachte in het grijze bad van het gemiddelde. Iedereen stuurt iedereen op hetzelfde moment een eender bericht & iedereen wordt wakker in hetzelfde reclamefilmpje. Het gaat ons lukken. Het komt goed.

“Kleur is de schepper in de ruimte. Hier lukt het de stroom van de beweging zelf te pakken te krijgen, het is alsof je een elektrische draad aanraakt.”

Nee, ik wou je niet wekken, nee maar je rolt met je warmte in mijn warmte & mijn tong ging vanzelf in je mond. Nu lig je weer leeg & afwezig te mokken & in je kurkdroge masker te wachten tot ik je kom openbreken als een eierschaal: mijn hand graait & raakt het spinrag van je hand onder de zijde van je kleed op je borsten & je haar glijdt ertussen & elk raken verpulvert het raken in het raken daarna. Wie was je, dat ik je raken kon? Wie glimt daar in het duister, onaantastbaar? Zo zakt mijn kus nog ‘s op de bedwarme wang van een ander.

Een ander? Maar iedereen zit hier al. We lopen leeg in elkaar, elk ik is een ander & we stoken de vuren tot onze verste vingers prikken & steken & branden van verlangen naar een uitweg die er niet is tenzij in de dood. Ondertussen verrotten de hongerigen aan onze bevallige enkels.

&

Wij, wij leven hier & nu & wij kennen ons zoals wij leven want wij zijn het schuim op onze wensen & wij zijn niet van hier maar van Hongkong & wij zijn niet van nu, want de tijd verduurt onze plastic randen & daarin passen wij als in de lege plaats van de schuifpuzzel onze leegte, het overstromende beeld dat wij in onze warme harten dragen van onszelf, onze eeuwige jeugd in het brekende kader van nu.

Wij ontbreken. Geen nood: de maatschappij staat ons bij met haar bloedbesmeurde kruisen, haar brandstapels, haar vette schaamlappen & haar vlijmscherpe machetes, we winnen met de dag aan zichtbaarheid, het slijm stulpt ons uit, we krijgen al vorm, iemand roept al “grijp ze, ze lopen te bloeden”. We stuiven weg in onze bolides maar we zullen tollen & tollen & stilvallen dan als het wiel hoog op het wrak van de gecrashte kar in de berm.

“Wij keren als het ware terug naar de klank ( maar niet naar het heidendom).
Uit de klank ontstond het woord. Nu ontstond uit het woord de klank. Dat is geen achteruitgang. We hebben alle woorden en hun betekenis verlaten. We turven de lyriek terug uit de taal, een letter is geen teken meer om iets uit te drukken, het is een klanknoot . En dat is geen muzieknoot, dat is iets véél subtieler, een oscilleren in de volle scheuring van het reële, de overgang van de klank van de ene letter naar de andere is vollediger dan die van noot naar noot!”

De avond sijpelt langs boven het raam in. Seffens is heel het vlak als een scherm gevuld. Elke dag voltooien wij zo deze buurt, wij zijn de meesters van deze duisternis, niemand evenaart ons in dit uitzieken van de dag. Pas op: de tovenaar loopt voorbij, als je hem ziet ben je verloren! Hoor: de wolvenman huilt om zijn teef! Ruik je het? de muselman steekt de hand uit de grond & graaft zich walmend de nacht in!

&

Er komt zand in mijn ogen nu ik tuimel in je draden, het onkruid dat ik van je vergaarde in de woestenij van ons verleden. Ik draai in je armen als weleer, ik zak je frêle schouders langs als een kleed van dik velours, mijn wieken maaien met meshalen langs weerskanten door het veld met de korenbloemen waar we liepen. We zitten diep in de nacht & vette druppels komen rood je vel uit dat ik aantrek & op de sneden komen de letters bol te staan als ik mij wit in je rood tot je klaproos verknip.

Ik ruk mij bij de wortel in je uit met een heftige snik, de wekker biept & de kerktoren knikt met haar holle galm van yes yes yes: dit leven is een sterven in schelpjes twee per twee maar de enige schelpjes & het verscheidene zaad geuren allen naar dezelfde zee & wat kan het ons ook deren, ik knoop je lichaam uit je zinnen los want niets in dit daarna is wreder dan het lege nu waarin ik zwijgend naast je sta.

De mens-vorm is net zo’n teken als de muzieknoot, of de letter, en niet meer. Inwendig deelt hij slagen uit en iedere slag vliegt de wereld in. Wij luisteren alleen naar onze eigen slagen, niets begrijpen wij van de andere, & de anderen begrijpen niets van de onze. Maar samen zijn ze reëel, ze dienen ons als de wereldeenheid waar iedereen zo de mond vol van heeft. In ons begint op momenten waar wij geen geheugen van hebben, op plaatsen die wij niet voorzien, telkens geheel opnieuw, het zingen van de grote liturgie, de lege lyriek van het gezamelijke falen:

Het bekken oogt eiblauw, het bloed geeuwt & kolkt,
we worden dagelijks ouder & gekker & mooier &

de hemel kan zich met vallende rotsblokken
nauwelijks verstaanbaar nog maken. Vogels

uitnodigen vogels ter hunner beider begrafenis
& eveneeens naar Afrikaans gebruik wil je, in

de naarstig bewerkte singulariteit van ons vluchtige
samenzijn, in dit enge éne, het beschilderde heden

dat je met die andere dode van ons delen moet,
die theetafelhuidafstropende getallenpriegelaar,-

wil je nog haar mozaieke lijf beroeren, haar tempel
bevlekken, haar vloertegels bekrassen, ontheiligen

de laatste halmen van heur haar, retoucheren die strengels
de dode lippen belikken die je ooit van wanhoops

diepe waters weg deed weifelen, de klamme hand
omstrengelen die je in liefde deed nulbarsten, de dijen

kussen waartussen zij je haar wezen diep injoeg
opdat je dit in deze stilstand tenminste in hen zou

kunnen wegzeggen vooraleer ik & jij & zij voorgoed
bij het witte node het wit zitten te witkalken & ik

op het rammelige raamwerk van onze zielloze
letters tot louter klanken wijselijk wil spatten :

parakalpita, paratantra, parinispanna.
Eleja Adonay nasati ‘enay…

Erg? Niets is erg. We maken de verfijnde gedichten van de verschrikkingen. We dromen de erotische film van de gruwel. We beleven de kille ruimte dag aan dag zoals een rottende berk in het park. De gestage afgang. De onoverbrugbare afstand, de alsmaar sneller invallende duisternis tussen het licht dat we waren & het licht van de ander.

De strepen, de gapende dalen, haar adem, de kleur van haar vel. Wat ons trekt, de dood die ons in vlakken tijd opdeelt, dat vrezen wij. We ruiken wat we willen maar we willen het stil.

( met bewerkte fragmentjes uit brieven van Kasimir Malevitsj aan M.V. Matsjoetjin – 1919 en uit een brief van Pavel Filonov aan ene Vera Sjolpo -1928)

&

[Uit]

Het was bijna zeven maart & er gebeurde niets.

Er gebeurt nooit iets in een verhaal.

De spinnen hadden mij  die nacht gebeten in mijn rechterkuit & mijn rechterpols. Zijn spinnen rechts? Ik dronk genoeg om niet te hoeven dromen, maar straks diende ik weer te stoppen. Dan zal  ik weer sluiks  kijken, dacht ik, wég van dit leven, met de glimlach, de spleten in waar het stof mijn stof zoekt dat weigert te vallen. Ik dronk & dacht mij weg, net om deze gedachten  toe te laten, zoals ik eertijds haar het reeds gedane als een dans toestond, een ingestudeerde pirouette van vermeende schoonheid op een leeg veld. Zo zocht ze jarenlang vergeefs in mij naar wat er gaande was in mij, omdat ze zocht naar iets & weigerde de weg te vinden naar het zoeken & bouwen dat liefde heet. Neue Kathedrale des erotischen Elends.

Spiritueel misbruik is vooralsnog niet strafbaar. Enkel als ik dronk, begreep ze het, & nu ze het in mijn afgedwongen afwezigheid wél begrijpen wil, drink ik om de tijd terug te draaien naar dat hemeltergende onbegrip terwijl ik nuchter was. Heimwee naar de kwelling van de aangereikte strohalm, het Stockholmsyndroom all over. Lussen in de tijd, wurgslangen, een nieuwe perversie van de double bind, waarin ze mij oscillerende hield, een armtierig machtsvertoon dat voorheen tenminste nog eenheid van plaats had (ik lieg mijzelf bijeen in de lussen van haar leugens, als ik dronken ben,  dan schrijf ik niet, dan dans ik het,  al strompelende, desnoods).

De rol van mijn geheugen, zo dacht ik nog,  is een interactieve, zij het lichtjes eenzijdig getoonzette pianolarol. Telkens iemand de rol afspeelt, komen er gaatjes bij, accenten links, attenuaties rechts, & heel wat nieuwe noten, dwaze vergissingen van een pretentieuze joueuse.

Verspilling van levende handen in een afgeschreven compositie. Bewegingsexcessen. Uiteindelijk krijg je immers niet het lang verwachtte alomvattende, maar het al te familiaire grijze dreunen van het monotone. Een minutenlange aanslag van de dood.

De echo van mijn onontvankelijk verklaarde stem rimpelt spiralen in de vijver van een wenende Narcissus. Niet, non, nun, een Tibetaanse kaalgeschoren kip verdomme, gevogelte dat het vliegen verleerd is.

Ach, vergeet het: aan al die sterfelijke klanken van de  stem valt toch geen woord toe te voegen, elke zin implodeert ogenblikkelijk tot een moordende hagel van klankgruis: buskruit  & roet van boek Genesis, shot from the hip.

Ik stopte niet, & droomde toch. Op de laatste nacht overviel haar zoen mij. Het offer was volbracht.

&

(Het boek der boeken loopt hier af als een rol, maar wie leest er nou nog boeken? Er gebeurt toch nooit wat in een verhaal. )