ferm


het werkte. een doel was
niet vereist: de bal rolde
en dat volstond. de vraag

was nu naar het punt
waarop het zeggen kon
dat er bestaan was, dat

het bestond. de nacht
bood gouden regen die
nooit de ochtend haalde.

de rat draait in het rad.
dit ademen ademt. geen
ander trekt zo elk gelaat

in striemen afschuw, in
lijnen letterlijke haat. het
zong iets, ter affirmatie,

en brak ferm en op tijd.

dv 2019 – AR van ‘ferm’
inputtekst: ‘WOUD’, 8 gelijnde schriftbladen gedateerd 11/11/1994 tot 26/11/1994
Advertenties

musette maison


Benodigd zijn: bloed
inkt, papier en daarin
een goed oog. Onder

invloed van het wit
stolt het opgeklopte
gebeuren. Kluts er

desnoods wat eiwit
door, maar het moet
glad wel en diafaan.

Onderaan dichtplakken
met het zwart van je
longen. Koel serveren

onder voorbehoud
en (noblesse oblige)
een glazen stolp.

dv 2019 – AR van ‘musette maison’

inputtekst (1993):

lemmet


zilver draaiend blonk het rond het ijle
van je greep. het viel en zonk de weide in.

het heft was weg, verrot. wat het inhield
had geen angst, het kon zich als vanzelf
in je hand leggen. begrip is relatief. is

het bloed dat nu gestold de snede
tekent, of tekent nog het in de grond
gestokene de zwarte lijn? vloek,

spuug en wrijf je handen, geef
de aarde wat haar toekomt grif
en kom van dat verlangen vrij.

dv 2019 – AR van ‘lemmet’

inputtekst (1993):

dooi


van grijze wolken
valt de regen op het ijs
in de vijver hier.

van grijze wolken
valt de regen op dit ijs
onophoudelijk.

van grijze wolken
is er op het ijs dat smelt
een laagje water.

het grijze water
wordt weerspiegeld in het ijs
op de vijver hier.

wie ziet het water,
wie de wolken op het ijs
van de vijver hier?

wie ziet er wolken
onder water op het ijs
van de vijver hier?

wie ziet het water
onder het water, het ijs
het zwarte water?

onophoudelijk
valt de regen op het ijs
in de vijver hier.

inputtekst (1992):

dit is mijn verworvenheid


dit land is niet het mijne
nergens zie ik klaar
nergens kan ik heen

hier verlies ik niets van mij
niets beroert mijn hand
hier beklemt geen doodsangst mij

dit is mijn verworvenheid:

oktoberlicht dat strak de stad kadreert
en ’s morgens zilver klavecimbels
uit de ramen gooit. spiegelzang van

meisjeskoren, gouden stemmen
weven tegendraads een web
van onontkoombaar zinsbedrog.

bussen kermen schrijnend liefdespijnen,
auto’s remmen stil met mededogen,
fietsers murwen zich subtiel naar coda’s.

onverholen stamel ik mijn kindertaal,
luider bral ik van plezier nu alles botst
met hoe mijn stem uw dode wereld raakt.

nergens voel ik pijn, niets ben ik dan
dit, het onvermoeibaar spel van hier
uw licht te zijn en daar uw donkerte

en overal en nergens kathedraal.

inputtekst (1992):

hier beklemt geen doodsangst mij


tussentijds waar ik nog niemand ben
bij toonloos onaanzienlijk licht dat
alle ruimte binnenskamers houdt;

tussentijds waar het nu nog een zegen is,
waar tussen galm en aanslag stilte
zich tot unisono plooit, verwachtingsvol,-

geen oogopslag verdaagt de stonde
tot het later waar de stem van overslaat.
er parelt zich een traan en dit moment

is enig dan, wordt glans van mijn bestaan.

inputtekst (1992):