LAIS LXXXI


Al de stemmen met hun melodieën
brengen huiverend tot klare klank
het gestrenge in de litanieën:
schrap geluk, schenk uw leven zonder dank,
negeer vertwijfeling, proef de stank,
kots uw ziel uit in het hopeloze,
voel de koude ketting van het boze,
verdoe uw spijt tot snik in het gelid:
ook u is offer, u, uitverkoren,
u wordt als ieder dra tot licht verhit.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXXI

Advertenties

LAIS CCCCLIX


Uit ravijnen klinken haar gezangen
uit de diepte breekt de ruimte open
schichtig licht houdt haar gelaat gevangen,
maar daar komt toch ’t wonder uitgekropen.
Zo gebeurt wat het niet durfde hopen:
de tijd keert in haar ogen toekomst om
zij maakt van het verleden optelsom
en niets dat zij niet wil, gebeurt er nog.
Haar gratie wist de treurnis als een gom
en het verdwijnt want ik ben het dan toch.

LAIS LXXX


In Onterecht woont het, en Nergens gaat
het ’s zondags heen: die ene dag van licht
nummert de weken duisternis, is maat,
gradatie van het stijgende inzicht
dat het ontbonden wordt, dat zonder zicht
op toekomst, bij ontstentenis van hoop
ter dood vernauwt de nare levensloop.
  Maar als op maandag weer haar beeltenis
de schermen schroeit, dan wordt weer wanhoop hoop,
’t Niets weer Al dat in haar besloten is.

invoertekst (2012)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS LXXX

LAIS LXXIX


De avond valt, ziedaar verbijstering.
Scherven met lijfelijke resten, klaar
daglicht dat brandt van herinnering,
zotte maan, hoe die zweet, heur rosse haar.
Uw droge ja (u heeft toch geen bezwaar?).
Maar niets helpt niets goed. Het kan het mooi doen:
een vet verhaal dat eindigt met een zoen,
vrouwentongen om te likkebaarden,
passie onder roeiers van het galjoen,
zijden kousen die het openbaren.

invoertekst (2012)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS LXXIX

LAIS LXXVIII


“It all goes up in files, flies, files…’
NKdeE 2006

Heel de wereld loopt in taal verloren,
al het leven wemelt er en zoekt
vergeefs een plaats, wil zichzelf opsporen,
maar de tijd heeft het ter dood geboekt
en ook dit schrijven wordt straks opgedoekt.
  Alles van waarde wordt brol. Stroom. Stof. Geeft
zich prijs , verwordt tot een het dat niet leeft.
LAIS slokt het in ’t duister spelende op,
stemt de klank, streelt het licht dat naar haar streeft:
’t lijfje luistert, is, en dan houdt het op.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXVIII

LAIS LXXVII


Het droeve donker van Vissenaken
is donker en droeviger dan elders.
Het reist op een glimworm, lampen haken
het in de lucht in, daar zweemt nog iets helders:
een sterrensliert, het spel van de kinders
in ’t zwart van ramen weerspiegeld als licht,
verleden gebaar met toekomst in zicht.
Maar ’t droeve donker zuigt het aan en boert
zijn walmen duister als verbod en plicht
en iedereen gaapt, geen één die zich roert.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXVII

LAIS LXXVI


Er klinkt een lied in haar gebarentaal
los van elk gehoor: bewogen beweging,
volte in de zwaai van haar lach, verhaal
van de zwaarte, een lichaamsvervoeging
van het zwijgen (hijgen, zwoeg, verzwijging).
Het zweet, hangt aan de lippen van haar hand
die de woorden onderstreept uit het land
waar het licht al van sprak. Niemand luistert,
maar het hoort alles en graait in het zand
naar wat ogenblikkelijk verduistert.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAISLXXVI