de dichter des zomers


Kleur is hem in de kleren gekropen
dit hoogseizoen dat dons op zijn verzen doet
en danig zijn oren tuiten met toeters en trommen.

Bloemen te waaien staan op zijn hemd
dat longen omvat met een vuurzee van aardlucht
en gele geuren van haren en rode en lachjes die krullen.

Zwart met gaten zo diep als ’t heelal
blijft hij aan de aarde geklonken en niet erg in trek
is zijn stek in het pretpark van sterven en taal.

inputtekst (1992):

eentje van het huis


“Hij had alles verteld. De andere, die ouder was, hadden we maar meteen afgeknald, die zou toch niks lossen. Die zijn kop hing te bloeden op zijn schouder, dat maakt indruk, dan nijpt ge ze al, hoor.”

Den Bère vertelt over zijn legioen-jaren. Hij is vandaag vader geworden, komt het vieren aan mijn toog. “Na alles wat ik meegemaakt heb, weet ik nu pas wat het leven is”. Hij meent het.

“Hij lag daar, vastgebonden aan die dode, en we gingen met een gloeiende stok over zijn voetzolen, en hij verklapte alles, en toen heb ik mijn Uzi op hem leeg geschoten.

Bert is glazenwasser nu. Hij doet zijn werk zorgvuldig, geen vlekken, geen strepen, vakwerk. Hij deserteerde, is getrouwd dan. Hij is dronken, maar niet te erg. Hij weent.

Ik vul zijn glas. En het mijne. We drinken op het wonder van de geboorte.

inputtekst (1992):

uit de maat


voor en over c.v.

Drie planten zonder bloem
in licht en donker groen
variëren op een tune van Monk.
Mijn vingers doen de honk.

Doemdadoemdadoemdadoemda doe jij.
Dat past daar hoegenaamd niet bij!
Ik denk dat ik dit schrijven beter laat:
’t is geen dadoem en de doemda is uit de maat.

inputtekst (1992):

LAIS XXVII


Alleen een hond kan schrijven dat ‘het schrijft’
en zich verbeelden dat het een schrijven is,
maar zelfs een vlugge schets daarvan verschrijft
zichzelf tot wie de echte schrijver is:
in wiens verbeelding nog schrijft ‘het’ LAIS?
Ben ik het niet die zich genomen weet
en hij bedrogen drager van mijn leed?
Blijft zij dan niet voor eeuwig buiten schot
terwijl ik hem laat zeggen wat mij speet?
Ik was een ‘het’ die ‘hij’ wou zijn: haar god.

dv 2019 – AR van LAIS XXVII

langdurig gerenderde liefde


voor k.v.g.

het punt dat ik bij kaarslicht toen
aan jouw gedachten las, was eerder
lijn misschien, waarin jij jezelf
bewonderend ging spiegelen.

de pixels licht van toen stralen nu
doorheen de duisternis die ik toen was,
het zwarte gat waarin verdween: jij,
de hond die snurkte en als van glas

de tere bel van liefde om ons heen.

inputtekst (1992)

de inputtekst in eigen rot

rigorisme


In vreze om larven
die minzaam ebbenhout
tot zwartste nacht vermalen,

wanhopig om regen
die de witte twijfel
voor de vraag van antwoord dient,

en rillend om warmte
die het geroofde ei
gaaf de grauwste bek uitstoot,

kokhalzend het leven

aanbeden als de dood
voor jouw aalgladde
dageraadswoorden.

inputtekst (2017)
>1993

“Rigorisme” in het tweede groene verzenboekske zoals ik toen (1993) nog poëzij pleegde…