spijt


spijt? welja

ik denk ik heb haar zee gedronken
en van haar vreugde alle tranen opgelikt
ik heb haar appelrond en aardbeivol bewoond
en het klokhuis galmend van cymbalen
en de vliezen van genot doen trillen eerst
de trommel dan en dan de dans doen daveren

en toen ik van gemis te kruipen lag
en gij de spijlen nijd door mij kwam boren
vond ik  nergens poos van pijn maar wel intens
pervers plezier in de visioenen
van uw volslagen ijle ergernis. spijtig wel

dat daarvan nu
geen rest meer is.

 

wreet

Advertenties

gezond


de goedige dag is hier
de dag die modo grosso
de ronde doet.

de goedige dag bemoedert ook
onder dompende olmen
ter dood de stompe zuigeling
die wij dagelijks baren

(ik zie in alle scherven glas het licht
maar glas bederft het licht met sterven).

zo ook vraag ik mij soms af – onder invloed van
de romeinen vast of ingezonken misschien
de kelten met hun maretak –

de zon schijnt in de wolken,
en de wolken drijven aan en weg,

maar dit hier, dit nu van u, die naakte
tijd: gezond kan dat toch niet zijn?

wolkenslierten
dv 2018 – “gignogram ‘afstoten’ 2008” – bister & pen – A5

 

 

Izeganz tot zijn harpijen


[SCENE: Zanger Izeganz, die op het einde van elk VLAK op Het Pad van de Wenende Nacht een pijnlijke dood moet sterven om ongenadig in het volgende weer te verrijzen, richt zich op het einde van VLAK 16 tot de Harpijen, een bende nijdige oude eksterwijven die zich aan de rand van het bos schuilhouden en wachten tot de Nacht valt om de zanger te bestormen en zich te goed te doen aan de rottende resten van zijn vlees en vooral ook aan het Slijm van zijn Ongewenste Lyriek (SOL) die hem bij het sterven rijkelijk uit de poriën gutst.

Met die SOL wrijven zij immers medaillons met oude foto’s van henzelf in waardoor zij hun vergane schoonheid kunnen herwinnen en ietwat tijdsbestendig  bewaren.)

IZEGANZ:

Ik sterf en duizend wijven springen op mijn lijk.
Eentje rukt het lauwe hart en kauwt op aders.
Eentje snijdt de vingers af en speelt klein duimpje.
Eentje scheurt het lid en zegt oops floep.

De wereld is vol daagse liefde voor de dwaze kloten
die blijven streven in hun strakke dienstverband.
Dit levend lijk wordt ’s nachts met lood begoten
alliage die mijn rotten voor uw beeltenis wil kooien.

Zeker is de ondood is mij een welgekomen stasis
want uw goesting heeft genoeg in mij gewoeld.
Uw modewoorden zouden mij alsnog doen braken
maar ik heb in dagen al geen honger meer gehad.

Zing maar, mormels, brul het luid de venters aan
hoe gij genekte dichters alsnog poëzij laat kelen.
Hoe groot gij zijt en in getale groter nog, hoe snel
hoe glad, hoe dodelijk gij uw slijm wel halen kunt.

Straks wacht u  in uw  pracht het ijselijk gelijk
waarin mijn adem niet uw stilstand nog zal zoenen.
Straks bind ik  al mijn wormenwoorden aan de zon
en brand ik alles op tot licht waarin ook gij verdwijnt.

IZEGANZ sterft.
Vogelgekrijs en pikgeluiden in het volslagen duister.

DE WENENDE NACHT:

Met miljoenen zijn ze: zonder zon ziet mij geeneen!

[weent]

 


 

 

 

lekstoktongen
dv 2008 – “lekstoktongen / gwarth” – 2x A5

van nu en dan


de zon verblindt ons nu des ochtends
de avonden verduisteren de avond
de nacht dikt nachten aan en toe

de hoofden slaken spraak en stilte
het zwijgen wekt de golven woede
het spreken lokt de angsten uit.

zij lacht niet om, zij houdt niet van,
zij leest niet, vraagt niet, ziet of hoort niet
dat zij door niets volledig is omklemd,
dat zij tot niets geheel is opgeteld.

open wrik ik haar de klamme handen,
teder vouw ik haar de wereld open:
dan ziet zij wel en kermt zij om gena,
dan weet zij dat ik diep in haar besta.

 

schaduwen
dv 2008-2018 – “schaduwen” -A5

 

kruinen


vervaarlijk de kruinen wiegen in de wind
en wilde liefde woest verwaait de regen
die de bange bladeren brekende vertelt
dat het nog wel heftiger zal stormen

dat zij hem in de modder plat zal duwen
dat extatisch zij op haar dak zal dansen
dat ook het zijne was maar nu niet meer

hoe groot zij is en g*d gelijk in haar gemaakte tijd
hoe klein de worm was die haar even binnendrong
hoe diep hij haar deed sidderen daar, hoe hol zij is

hoe vol van hem, een vorm van haat die op zichzelf
te woeden staat, te trillen en alleen als storm,
als kruinen wiegend in de wind te lezen is.

 

tuitieve_prognose
dv 11-09-2007 –  “tuïtieve prognose der onafwendbaarheden” – potlood – crayon op papier – A5

handwerk


handjes doe ter stond uw plicht
sleur de ballon van de gedachten
binnen in de schuur en duw en wacht:
zegt het ‘snik’ dan is het deurtje dicht.

vrij naar ‘The Balloon of the Mind’ van W.B. Yeats (170)

The Balloon of the Mind 

Hands, do what you’re bid;
 Bring the balloon of the mind
 That bellies and drags in the wind
 Into its narrow shed.

 

Dagsluiting

Lachwekkend natuurlijk, dit soort ongewild,  niet-herkend seksuele innuendo en ik lach graag mee hoor, maar au fond lachen we met onze eigen wanen en ons onvermogen om het verschil in ‘klare zone’ in de tijd te kunnen onderscheiden.

Zeker, wij hebben Freud op de schoolbanken onder ogen gekregen en worden dagelijks bestookt met seksuele grapjes die zich schijnbaar van alle taboes hebben ontdaan. Schijnbaar, want de nieuwe preutsheid en de repressieve moraal, het wijzende vingertje steekt overal de kop op, of moet ik al zeggen het hoofd (m/v/o)?

Het weglachen van een fantastisch lyrisch oeuvre omwille van wat wij nu als een hilarische tekortkoming zien, is een aanwezig en reëel gevaar. Net zoals we eeuwenlang de Middeleeuwen als ‘donker’ en ‘onwetend’ hebben afgedaan.
Er mag gelachen worden uiteraard, maar laat ons het houden bij een grapje effen om de spanning te ontladen, want wat het onderzoek onthult is steevast, keer op keer de  zeer ernstige en tot wanhoop drijvende consistentie van de menselijke dwaasheid en ons eigen jammerlijke falen. Oei, ernst, sorry, dat is nog 10 jaar taboe. En lering, eikes hoe vies!

In het werk van Karel van de Woestijne, een tijdgenoot van Yeats, vonden we onlangs een ‘schandalig’ vergoelijkend pederastengedicht (zie de reeks ‘Woestenij’ op de PLeE) waarin hij zijn vrouw dan nog eens een rol toebedeelt waarmee je nu zelfs een non in de gordijnen zou jagen. Hier ligt de duistere vlek midden in de hedendaagse ethische evidentie: dat wat wij gedachteloos veroordelen als ‘wat absólúut niet kan’.

Moeten we daarom dat werk links laten liggen? Of misschien toch eerder omdat die ethische miskleun er niet toevallig is en van de Woestijne toch echt wel dat grootse en dat tijdeloze mist dat Yeats wel heeft, lid ter hand of niet…? Bij het lezen gaat het er tenslotte om of je er wat aan hebt, niet of wat er beweert lijkt te worden nu ‘kan’ of niet ‘kan’. Of wat er ‘leuk’ gevonden gaat worden of niet.

Voor mij was die passage bij Kareltje genoeg om diens Verzameld Werk bij de berg ‘later misschien nog ‘s’ te doen belanden, voor het Neo-Kathedraals onderzoek naar de functie of Klasse ‘Auteur’ was het voortaan van weinig nut. Te veel ruis.

Die ethische evidentie zijn natuurlijk nog veel meer onderhevig aan verschuivingen dan psychologische reducties die wij dan weer als alles verklarend zien. Zo verbergt deze voor onze oren hilarisch vals klinkende noot een heel diepgaand confict tussen Yeats en de Modernisten bij monde van Joyce en Pound dat onder meer ook draait rond de onttovering van het magische door de ‘lagere’ werking van de lusten. Lees er ‘Ego Dominus Tuus’ maar op na, waar er een spanning wordt opgebouwd en opgehouden tussen twee polen die ook in onze tijd op diep-filosofische wijze weer plots brandend actueel zijn geworden (zie later).

Onze zekerheden en onze lachlust verdwijnen sneller dan dat we uitgelachen zijn.
Is het herhaaldelijk terugkerend beeld van de spuitende fontein bij Yeats (‘The abounding glittering jet‘ in The Tower o.m.)  ‘alleen maar’ een Freudiaans te duiden orgastische wensdroom? Wat als een seksuele ontlading plots op wetenschappelijk aantoonbare wijze onze breinen inderdaad in staat stelt om ‘kennis’ te verwerven die we op geen enkele andere manier bereiken kunnen omdat ze gesloten blijft voor elke logocentrische reductie? Wie gaat er dan om wat lachten en om wie?

Of hoe wisselvallig het ethische oordeel over de schriftuur wel niet is: is Lucebert plots onleesbaar geworden na de ‘onthullingen’ van zijn biograaf? Kunnen we na #metoo nog gedichten van Gerrit Achterberg de hemel inprijzen, lyriek van een veroordeeld moordenaar, verkrachter en verslaafde aan grensoverschrijdend gedrag? En de films van Woody Allen, die kan je toch niet meer gaan bekijken, laat staan aanprijzen?

Daarom lach ik graag mee om de willie’s van Bill en de in nauwe schuren weg te proppen ballon der geest die oprijst in de sleur- en rukwinden: ik hoor de mensen later lachen met onze dwaasheden nu en betreur met weinigen onder hen dan en met Yeats toen de onvermijdelijke tragiek van onze soort…

Kom Bill, steek uw ballonneke nu maar proper weg. Ik heb het even vrijgelaten en ja hoor: gelachen dat we hebben!

weet ge wat


weet ge wat schoon is vroeg ze nee
zei ik en ik wees naar haar bollen
uw bollen zijn wortels zei ik ja zei ze
maar weet ge wat schoon is vroeg
ze weer en nee zei ik dat weet ik niet

onnozele piet wat schoon is heb ik hier
tussen mijn billen maar gij met uw wortels
en uw bollen weet ge wat

gij krijgt dat niet.

 

bollenheks
dv 2010 – “bollenheks”