LAIS


voor karen josso

dv 2008 – “LAIS”

Zie wat ik zag toen ik weigerde te zien.
Hoor wat ik verzweeg toen ik weigerde te spreken.

Niets van jou is ooit daadwerkelijk beschreven.
Niets is van jouw lichaam ooit naar waarheid verteld.

Jij weet niet wie jij bent.
Jouw lippen sluiten niet jouw mond,
jouw ogen zien niet wat jij ziet,
jouw hand heft niet jouw hand.

Jij splijt de wereld. Jij
bent een diepe aarden mond.

De goddelijke tongen vlammen
aan zichzelf verwrongen
gebonden lijden zij
aan het uit hun hemelen
verdrongene.

Jij wint. Jij won altijd.
Tijd? Met vloek en krijsen zullen
eeuwig de goden
zichzelf moeten dwingen

om jouw naam
bij elke mens in het hart,
in het hoofd te branden.

Uit vuur
vuur. Uit mij
jij:

LAIS

inputtekst (2017)

almaz-i kizil


kizil-e
red fucking diamond, dv , uit het klebnikreukelboekje, A5, pastel

 

rusalka, te qi mi ta jutta
rusalka, te qi mi coro me burne
rusalka, te qi mi  me a kreasti

o vida perigrindo
peregrinoda per me
o vida resemblante
o vida perigrinando

qe morte so
qe tal qe io morte so

rusalka, te qi mi ta jutta
rusalka, te qi mi coro me burne
rusalka, te qi mi  me a kreasti

 

whoerelen


wegzeilen
dv, 29/05/2009 (bewerkt in gif-comprimatie)

 

 

Whorlen of the wolrdwide will,
the otheren of graygrow time,
stillfallen blanketing the field-
the selven that are names of mine.

Velimir Chlebnikov, 1919 (vert. Paul Schmidt)

whoerelen van wereldwijde wil
de andereen van grijsgroeitijd
gevallen nog bebloesemen het veld
de zelven die de namen zijn van mij

 

 

mond


mond
dv,  10/06/09 @ 1u10,   ‘mond’ – eerste staat
pastelpotlood, potlood & balpen
uit het klebnikreukelboekje

Myrthetelgen …, Der welcker bloeysel smett’ met reuck aen allen enden. Den asem van de lucht,
HOOFT, Ged. 1, 115

u is voetvolk in de hel van            K.
u is, zo krijst de ziel van            L.

uw zwarte klinkers deren
niet, er
is geen licht op mij.

jij droomt jezelf al vallende een schreeuw.        A.
zwermen spreeuwen strijken neer op kersenbomen.          N.
de kirsch zeikt uit haar mond. het is de vloer, het is een smet.            K.
zij klampen zich aan verschroeide takken vast. E.

ik word uit de dag gekeerd, halfrotte
bloesem  uit de gevreesde straat                     N.

 

 

 10/06/09 rev. 12/06/09 rev. 16/10/2018

spijt


spijt? welja

ik denk ik heb haar zee gedronken
en van haar vreugde alle tranen opgelikt
ik heb haar appelrond en aardbeivol bewoond
en het klokhuis galmend van cymbalen
en de vliezen van genot doen trillen eerst
de trommel dan en dan de dans doen daveren

en toen ik van gemis te kruipen lag
en gij de spijlen nijd door mij kwam boren
vond ik  nergens poos van pijn maar wel intens
pervers plezier in de visioenen
van uw volslagen ijle ergernis. spijtig wel

dat daarvan nu
geen rest meer is.

 

wreet

gezond


de goedige dag is hier
de dag die modo grosso
de ronde doet.

de goedige dag bemoedert ook
onder dompende olmen
ter dood de stompe zuigeling
die wij dagelijks baren

(ik zie in alle scherven glas het licht
maar glas bederft het licht met sterven).

zo ook vraag ik mij soms af – onder invloed van
de romeinen vast of ingezonken misschien
de kelten met hun maretak –

de zon schijnt in de wolken,
en de wolken drijven aan en weg,

maar dit hier, dit nu van u, die naakte
tijd: gezond kan dat toch niet zijn?

wolkenslierten
dv 2018 – “gignogram ‘afstoten’ 2008” – bister & pen – A5

 

 

Izeganz tot zijn harpijen


[SCENE: Zanger Izeganz, die op het einde van elk VLAK op Het Pad van de Wenende Nacht een pijnlijke dood moet sterven om ongenadig in het volgende weer te verrijzen, richt zich op het einde van VLAK 16 tot de Harpijen, een bende nijdige oude eksterwijven die zich aan de rand van het bos schuilhouden en wachten tot de Nacht valt om de zanger te bestormen en zich te goed te doen aan de rottende resten van zijn vlees en vooral ook aan het Slijm van zijn Ongewenste Lyriek (SOL) die hem bij het sterven rijkelijk uit de poriën gutst.

Met die SOL wrijven zij immers medaillons met oude foto’s van henzelf in waardoor zij hun vergane schoonheid kunnen herwinnen en ietwat tijdsbestendig  bewaren.)

IZEGANZ:

Ik sterf en duizend wijven springen op mijn lijk.
Eentje rukt het lauwe hart en kauwt op aders.
Eentje snijdt de vingers af en speelt klein duimpje.
Eentje scheurt het lid en zegt oops floep.

De wereld is vol daagse liefde voor de dwaze kloten
die blijven streven in hun strakke dienstverband.
Dit levend lijk wordt ’s nachts met lood begoten
alliage die mijn rotten voor uw beeltenis wil kooien.

Zeker is de ondood is mij een welgekomen stasis
want uw goesting heeft genoeg in mij gewoeld.
Uw modewoorden zouden mij alsnog doen braken
maar ik heb in dagen al geen honger meer gehad.

Zing maar, mormels, brul het luid de venters aan
hoe gij genekte dichters alsnog poëzij laat kelen.
Hoe groot gij zijt en in getale groter nog, hoe snel
hoe glad, hoe dodelijk gij uw slijm wel halen kunt.

Straks wacht u  in uw  pracht het ijselijk gelijk
waarin mijn adem niet uw stilstand nog zal zoenen.
Straks bind ik  al mijn wormenwoorden aan de zon
en brand ik alles op tot licht waarin ook gij verdwijnt.

IZEGANZ sterft.
Vogelgekrijs en pikgeluiden in het volslagen duister.

DE WENENDE NACHT:

Met miljoenen zijn ze: zonder zon ziet mij geeneen!

[weent]

 


 

 

 

lekstoktongen
dv 2008 – “lekstoktongen / gwarth” – 2x A5