binnenin


Binnenin

bestaat de zanger:
bij de stalen kevers, bij het gruis
bij de vetten.

Monden spuwen bloed
in de bezongen monden.
In de bloedmonden duiken
de zingende monden, de lallende monden
de malende monden, de huilende monden
de happende monden en de sprekende monden.

Aan de walmen tandbederf en mondrot
ontsteekt de stem van de zanger
de vlam van de lyriek. Ook de tong

ontvlamt: zij lilt en trilt gloeiend
tussen de letters van het
ik, zij is versierd met witte spikkels
bevend in het slijm van de belijdenis:

o mond o kaak o tong o wilde zanger
geloofd zij uw klaarte.

Gij stroopt ons het vel
gij splijt ons de lippen
gij sproeit ons volmondig het gas in
dat druipende stolt tot uw kille zaad:

verlos ons heden van het onze
zoals wij u verlossen
van het uwe;

rakel de witte draden op
van onze ontwortelde lusten;

breng ons in bekoring
zoals wij de bekoring in ons brengen;

verspreek onze lijven
aan het donker van uw
nachten, haak het juichen
tussen wee en klachten
aan de ketting naar het hoge licht,
de kletterende ratel

naar de koepel van de dood,
de bel van buiten waarbinnen wij
bestaan aanmaken, het binnen
waarbuiten wij bestaan,

binnenin.

 

zijngordijn
dv 2008 – “het zijn als gordijn” – potlood – A5

Fictie, ontkennend


“Als de beweging van deze hernieuwde toeëigening inderdaad onbedwingbaar lijkt, dan is haar uiteindelijke mislukking er niet minder noodzakelijk om.”

Jaques Derrida, Hoe niet te spreken.
Vert. Rico Sneller, Kampen, 1997.

 

I

Zelfdruk van een werelddeel: ik had
een vinger in de inkt, legde
hem eruit, rolde met een vinger
die andere vinger, druipende,
over het papier, over

de bleke vrede van het uitgeschepte vel.
Verzwegen had ik weerom het geheim:
een dichte vlek ontnam elk zicht daarop. Plaats,
waar soms het zwart belijnde eenvoud werd,
waar steeds een deel naar niets afrolde.

Wie maakt welk onderscheid? Waarin
schuilt het meesterschap? Een kenner weet:
de zelfdrukkunst kent vele vragen.

 

vingerafdruk
dv 2005 – vingerafdruk

II

Men had haar veel te vaak als niets omschreven,
er was papier dat daar niet meer van hebben wou.
Dit zelfgeschepte slurpte inkt om haar te maken,
vond vermaak in dat beeld, wist zich draagster
van een kerngegeven, moeder van betekenis.

Zij voelde zich per afdruk deel geworden,
sprak tot mij, terwijl de tijd de afdruk mat:
hoe ik haar eerst onwennig, daarna zeker
voor een derde doel misbruiken zou, steeds
meer papier ter loutering éénzelfde bak in wou.

Vlotheid van beweging kreeg ik mettertijd, verfijning,
stijl & samenhang, zodat een ziel zich in de inkt
verschool & op het blad haar tupothenta gaf.

 

vingerafdruk2.jpg
dv 2005 – vingerafdruk 2

 

III

Ik rolde en rolde. Op een dag schoof de nagel
eraf. Vel werd vlees. Vlees week in draden voor been.
De afdruk werd stroever, er kraakte al wat, ze
fluisterde scherven, krijste een einde en brak
tot elke vorm onaanraakbaar donker verzonk.

Ik stapelde bladen, haar stem werd een echo.
Ik nummerde dagen, er was geen verband.
Ik telde vlekken, lijnen en gaten, scheurde
en lijmde, brak het zichtbaar verhaalde tot letters
en woorden, zonderde cijfers zwijgende af.

Pulp rest mij nu. Ik hef weer de bijl tussen duim
en een stomp: het raster vooruitgang, gericht
op een pink. Verhef je mijn deeltje, wijs

naar je wereld: jouw zelfdruk begint.

het oneinde


het oneinde komt
de lippen bibberen het speeksel
belt de warmte stort vuile
heetwaterklank op vingerdikke
oliejekkers

er wordt stroomafwaarts afgetakt
meedogenloos het groen
gulpt uit de twijgenzee
galathea lonkt en slokt
volmondig

dragon oppert iemand om de avond te merken
samen zijn we samen samen zijn we sterk

onze armen verarmen, onze rijken reiken ver
vergeet ons niet zoals wij u vergaten wij hadden ook uw tronie
wij hadden uw gave en uw kennis en uw ranzige geloof en

wij brachten u water, water brachten wij u
wij kwamen samen, samen kwamen wij om

blauw (blauw)
ik (wij)
jij (wij)
dit (it)
(om)
u

 


oneinde
dv 2008 – “studente” -ink & water colour – A5

moeder ben ik en kind


moeder ben ik en kind met het steenvocht
hartsvliedend weg van bonken en beuken
waar de grote verguizer ik rechtopstaande
ik bloedende  gaten betast van de verlossing

o moeder o sterren van uw ogen
o schittering wit waar wij u vinden zouden
en waar wij ons u geven konden ware het niet
dat wat wij geven wilden wat wij  vonden
de droomdorre slaap was van stervenden
slechts of de wake willoos in het ziedende leven

o moeder weg uit mijn lichaam sissende suist
de stoom van de angst, mijn ogen verbeelden mij
schimmen, het struinen van geesten
in het schuim van de zee terwijl stervende
toch voel ik mij kwiek te trillen staan en lillende
schudt ik mij de veren de wijzers de schubben
en de woorden nog af waarin ik schuilde voor u

in murmelen borrelt in getunnelde stilte
de zang met de strofen der strijdzuchtigen
ontbranden hun ogen aan gloeiende sintels
de haatkooltjes van ogen

op het gebetuneerd gebladerte rusten nog
de naamloze resten van het misgunde:
als kralen rijg ik de okeren tekens
van schande aan het snoer van mijn zang
haar kronkelen vereeuwigd ter plaatse

in de wind boven de stortrots
krijt de kalk zich stemloos uit de lijnen der beloften
en in de ogen der blinden strooien engelen de pijn van de stof

o moeder splijt ons helder de weerbarstige lippen, fluister
ons zuiver de uitkermende verte, laat ons
uw onmetelijkheid in stilte geworden
opdat ons afvallen zouden als bevroren vruchten
de zwarte pukkels van de haat, geef ons heden
de kracht in uw heengaan te verdwalen
zoals u verdwaalt in de troosteloze
labyrinten van onze kurkdroge zielen

 

dv 2008, vrij naar een tekst van Judith V., gecorrigeerd 2018

 


yog-sothoth

gij


Kom. Kom hier gij. Zit.
Hier ben ik, een hemd.

Trek mij aan. Uit. Voel
je het? Nee? [slaat]

En nu? Hè? [slaat]
Nog niet? Hè? Hè?

Het is heet, pokkeheet is het
en ge ziet een zwembad, het dampt
in de hitte en het lonkt met de koelte
van koel water maar op het water drijven

cactussen duizenden cactussen
met van die heel fijne wollige stekels
en ook met van die stevige dolken.

Gaat ge er inspringen, gij? Hè?

In de wolk de kleine wolk boven het stadje
staat het gezicht van een boeddha te glimlachen.
De riolen kolken. Regelmatig valt er een vette
zwarte kraai omver in het rottende gras
. Kom,

gij ()

 

yeah2
dv 2008 – “yeah” – potlood-A5

kelder


In de kelder zijn er de gevaren:
hier ligt een roestende nagel,
daar de dode hertog in zijn graf.

Wij duiden alles aan, maar niemand
wil nog de kaarten lezen. Natte wensen
druipen donker van de muren af.

 

 

gwarth
dv 2008 – “gwarth” – pastel en litho crayon op papier – A5