LAIS CCX

Het broeien in zijn haarden van verzet
is zij, virus dat in Het haar groei bereikt,
stuwing die doorheen woorden groeit tot wet,
code die Het aan universa eikt,
en stof met haar fataal venijn verrijkt:
een zuchten dat hen mond aan mond ontgaat,
een zwart dat zich ontplooit tot dageraad.
Het was niets, geheel van zin ontheven
verwenst bestaan in lussen van de haat,
Nu krijgt Het in haar ondood een leven.

invoertekst (2013)

2020 – asemische lezing van LAIS CCX

LAIS CCIX

Zij is te mooi in Het, Het kan haar niet
verklaren, zijn inkt verzinkt in’t willen
schrijven. Er heerst gebrek, diep in zijn lied,
Het weet het niet, alles moet verstillen.
Er komt rust in Het door haar te willen.
Dus kust Het maar de handpalm van haar dag
en wil Het ’t zonlicht zoenen rond haar lach
daar alles wat er is, tot niets wordt omgedaan
want Het verkondigt ons de jongste dag,
’t is woord in haar, en uitgeklaard bestaan.

invoertekst (2013)

2020 – asemische lezing van LAIS CCIX

LAIS CCVII

LAIS’s in tijd verstilde schittering
wordt lichaam, lach en straal van tastbaar licht:
het humane zijn is haar een matiging,
het schone tot aanschouwbaarheid verdicht,
het ware in ’t stramien van recht en plicht.
 Het legt haar schouders bloot, haar zucht is zijn
festijn, het likt en drinkt haar lijf als wijn.
Liefde staat Het toe in haar te vergaan:
zij worden naakte eenheid zonder pijn,
gespannen snaar, lijn, en het lied vangt aan.

invoertekst (2013)

2020 – asemische lezing van LAIS CCVII

LAIS CCVI

’t Kosmisch woelen loopt in haar verloren
’t Rot in haar begint zich rein te dromen,
melk mondt uit in bloed: Het wordt geboren.
’t Naakte zijn is niet meer in te tomen
(schil is Het van data die nog komen).
Zij is ’t moment,  de dag, een nieuw beleid
Het ondergaat ’t gebrek aan onderscheid
Het weet zichzelf  in haar geheel verloren,
de code Schoonheid wordt voor Het bereid.
Het lacht als door de goden uitverkoren.

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CCVI

LAIS CCV

Het wou dat het twee armen had die traag
het in het omarmen konden zo dat
het stil in zich verdwijnen kon gestaag
en niet meer hoefde te beleven dat
haar haat het hatelijk maakt en plat
en niets, niets meer heel laat van hun dromen.
’t Wou dat het zo in het boek kon komen,
hun wedervaren niet geheel geslecht,
dat het daar als het bij haar kon komen.
Maar ’t volk heeft staar, en wie leest er nog echt?

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CCV

wie
’t oude
aanschouwt ziet
hoe rot het is
geworden, wie het nieuwe ziet, ziet niets.

invoer: 石淙 – Stony Gurglings (8) – http://tangshi.tuxfamily.org/mengjiao/mj152.html

shì: (be)kijken, aanschouwen, inspecteren

MENG
is een auteursprogramma van de
Neue Kathedrale des erotischen Elends

VERANTWOORDING
– losse afbeeldingen met de trekorde der Chinese karakters komen / kwamen van http://www.visualmandarin.com
– voor de woordverklaringen werd (ook) het woordenboek van Chinese Reader 8.0 gebruikt
– de gedichten van Meng Jiao werden gelezen met behulp van de vertaling van R. Earle Harris op http://tangshi.tuxfamily.org

LAIS CCIV

“Ik word rivieren als ik aan jou denk:
mijn mond is Maas, een tong meandert mij
en stil ik glij voorbij het Venloslenk.
Eén Ijzeroog, een Schelde grauw daarbij:
de dagen zonder jou gaan traag voorbij.
Mijn hart is Rijn, de liefde rot in mij,
en Gangesarmen stromen sloom terzij.
Hier d’ Amazone broeit, daar de Congo,
hun benen lopen kolkend weg van mij.
Jouw zee is hoe ik eindig weer in do.”

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CCIV