LAIS CLXIX

voor A. C.


Op het einde van haar stralen, waar licht
zichzelf verlaat, aan het raakpunt van haar
schijnen waar ’t menselijk betrachten zwicht,
in zware stilte achter hemels klaar
de gouden lichtval in heur ochtendhaar:
haar ogen zinken niet, haar lach klinkt klaar,
haar hand herhaalt ’t gedachte als gebaar,
heur haar omvloeit dat woordeloos gebaar
en alles haakt met alles in elkaar
en het ontdoet zich van elk lijden daar.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXIX

LAIS CLXVIII

Asgrauw de bladeren de bloemen
hun rot op aarde braken en takken
te kandelaren staan op de doemen
te wachten de vloeken het inhakken
van woord in vlees nijdig zij tandakken.
Gelaatloos de godin staat op het groeien
haar klemmen te plaatsen en haar boeien
strak rond de enkels en de hals te slaan
en haar wraakzucht hoorbaar is in ’t loeien
van storm om zij die neerwaarts is gegaan.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXVIII

LAIS CLXVII

Golflagen licht gestaag hun koplampen
trekken de mist het dal in waar ’t duistert
en in de hoop op bestemming dampen
zij nijg de nek aan het stuur gekluisterd,
en naar de heks heeft niemand geluisterd.
  Wielen ter plaatse verdraaien de hel
zonder wissel en de hemel bekt fel
van winst en vooruitgang en men fluistert
bij kraaiengekraai de clou van het spel,
en naar de heks heeft niemand geluisterd.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXVII

LAIS CLXVI

Plotseling sprong wat ‘r in haar ogen hing
en ’t dook onder in ’t donkergroene loof
weg en daar wat er stoof het was geen ding
maar duizenden lampieren* in de koof:
geheim gezoem van licht in haar alkoof.
Zij was niet hier, het was niet daar want daar
was hier en ook de tijd kwam in gevaar
omdat de ruimte prangde om het al
en niets dan zij werd het alleen gewaar:
het nimfenkleed vol leegte overal.

*lampieren: een soort vuurvliegjes die enkel in de bossen van Linden voorkomen

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXVI

LAIS CLXIII

Het legt de hand zoekende in haar hand
en haar hand lost op in handen: de taal
is die der ledematen, een verband
dat tellend aanspraak maakt op zin, een haal
naar antwoord tussen de dijen, verbaal
nog slechts met de schijn te willen praten
terwijl ze nu al de kleren haten
die haar van ’t nu en het nog scheiden.
  Ieders adem stokt, ’t is toegelaten:
zij beleven d’eerste zucht van ’t lijden.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXIII

LAIS CLXII

Het mist zichzelf meer dan het haar bemint,
dat zei het haar, wijl het met groots gebaar
haar lijf bedwong en in haar als een sint
zijn toverbol van lust ontspon, en klaar
haar op haar weelde wees, zo diep in haar.
 “Hoezo”, vroeg zij, terwijl het uit haar gleed,
“bekleed mijn lijf jouw zijn dan toch met leed”?
  “Toch wel, mijn lief, want het is nooit geheel
hetzelfde diep in jou: de tijd is wreed
en leeg rondom en altijd klein ons deel.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXII

LAIS CLXI

Er is wat is, en dat is obstakel
omdat er niets is dat werkelijk is
en alles hier dient slechts als tentakel
om niets te voelen, dat werkelijk is,
van al het zijn daadwerkelijk gemis.
  Het is een leerling van het ergste soort:
het heeft het echte in de kiem gesmoord.
Het plukt de vlokken waarheid uit zijn pijn,
het spreekt zijn liefde uit als toverwoord,
het ziet haar lach en houdt dan op met zijn.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CLXI