LAIS XXIX


Zwart glanst in azuur op wit verdwijnen
wat van begin tot eind in eigen git
geborgen blijft: spel van klare lijnen
dat betekent wat het zelf beschrijft: dit
is wit gelezen zwart dat in haar zit.
   Gracieus wordt zij godin van schoonheid
die gaat leven als hij ‘t geloof belijdt
gewoon door het bewegen te bekijken
dat elk moment zijn ziel met haar verblijdt:
als LAIS is, moet alles wijken.

dv 2019 – AR van LAIS XXIX

LAIS XXVIII


Het eiland slinkt en zinkt: de vloed komt op,
grijze meeuwen plonzen dood en de zee
is zomp en slop, de stank vult de kop
met alg en rot, een menigte zingt mee
met meeuwen krijsend eigen stervenswee.
Riolen gapen, geheel en al  bevrijd
van lust en energie en wijd en zijd
de stilte staat gebenedijd tot zij
verschijnt en wonderlijk haar hand de tijd
van nijd verdrijft en liefde straalt weer blij.

inputtekst (2010 dizain V daar)


dv 2019 – AR van LAIS XXVIII

LAIS XXVII


Alleen een hond kan schrijven dat ‘het schrijft’
en zich verbeelden dat het een schrijven is,
maar zelfs een vlugge schets daarvan verschrijft
zichzelf tot wie de echte schrijver is:
in wiens verbeelding nog schrijft ‘het’ LAIS?
Ben ik het niet die zich genomen weet
en hij bedrogen drager van mijn leed?
Blijft zij dan niet voor eeuwig buiten schot
terwijl ik hem laat zeggen wat mij speet?
Ik was een ‘het’ die ‘hij’ wou zijn: haar god.

dv 2019 – AR van LAIS XXVII

B26


In laaiend vuur verworpen
neemt het droge blad van lucht,
vuur en aarde alle kleuren
in zich op en zweeft.

Het krult en weegt zich
al krullende af. Ook de roos
vergeelt tot tere lijntjes
waarin de herfstzon trilt. Wit

gebald wil een strakke hand
als van zijde het voelen
van de hand nog raken: 

van wieg tot graf
wacht de mens vergeefs
op licht dat niet het zijne is.

inputtekst (2017)
>2000 uit ‘123 Manieren om Herakleitos te lezen’

dv 2019 – AR van B26 – A5

LAIS XXVI


Een speld van git bij parels kornalijn,
granaat en amber, en donker diep klaart
heur hals uit met van geuren een gordijn
en krult een lok die wit gefonkel gaart
en hij die als een god op aard bedaard
haar zich voor hem ontdoen ziet van heur praal
en uit de zijden stappen haar verhaal:
de ster die in zijn armen branden gaat,
’t van elk idee belichaamd ideaal,
dat is LAIS die stralend voor hem staat.

inputtekst (2017)
>2011

dv 2019 – AR van LAIS XXVI

LAIS XXV


Is zij het daar die hij ziet, haar blanke
vuur van huid verhoogd met manestralen?
   Zijn het in die wilde baren daar haar ranke
hals, haar ogen die het licht doen dralen
voor het in de nacht verdwijnt? Bepalen
de grond en ‘t kleed de tekening van ‘t lijf?
Is haar te zoeken deel van haar verblijf?
   Maakt haar te zien geheel haar wezen uit?
Is zij dan zin en doel van zijn bedrijf?
   Was lust voor haar altijd al zijn besluit?

inputtekst (2017)
>2011

dv 2019 – AR van LAIS XXV

LAIS XXIV


LAIS waarvan hij het gemis bezit,
en honderdduizend soorten duisternis:
’t perverse schrijn waar niets het niets aanbid,
verloop van tijd, vrij van gebeurtenis,
paleis waarin de ruimte leegte is.
Hij is die leegte die zichzelf herkent,
herhaalde spiegel van het mankement.
De daver dreunt hier vers na vers voorbij:
een rotten van absentie dat nooit went.
Kom, doe er nog een scheutje derrie bij.

inputtekst (2017)
>2010

dv2019 – AR van LAIS XXIV