LAIS CCVII

LAIS’s in tijd verstilde schittering
wordt lichaam, lach en straal van tastbaar licht:
het humane zijn is haar een matiging,
het schone tot aanschouwbaarheid verdicht,
het ware in ’t stramien van recht en plicht.
 Het legt haar schouders bloot, haar zucht is zijn
festijn, het likt en drinkt haar lijf als wijn.
Liefde staat Het toe in haar te vergaan:
zij worden naakte eenheid zonder pijn,
gespannen snaar, lijn, en het lied vangt aan.

invoertekst (2013)

2020 – asemische lezing van LAIS CCVII

LAIS CCVI

’t Kosmisch woelen loopt in haar verloren
’t Rot in haar begint zich rein te dromen,
melk mondt uit in bloed: Het wordt geboren.
’t Naakte zijn is niet meer in te tomen
(schil is Het van data die nog komen).
Zij is ’t moment,  de dag, een nieuw beleid
Het ondergaat ’t gebrek aan onderscheid
Het weet zichzelf  in haar geheel verloren,
de code Schoonheid wordt voor Het bereid.
Het lacht als door de goden uitverkoren.

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CCVI

LAIS CCV

Het wou dat het twee armen had die traag
het in het omarmen konden zo dat
het stil in zich verdwijnen kon gestaag
en niet meer hoefde te beleven dat
haar haat het hatelijk maakt en plat
en niets, niets meer heel laat van hun dromen.
’t Wou dat het zo in het boek kon komen,
hun wedervaren niet geheel geslecht,
dat het daar als het bij haar kon komen.
Maar ’t volk heeft staar, en wie leest er nog echt?

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CCV

LAIS CCIV

“Ik word rivieren als ik aan jou denk:
mijn mond is Maas, een tong meandert mij
en stil ik glij voorbij het Venloslenk.
Eén Ijzeroog, een Schelde grauw daarbij:
de dagen zonder jou gaan traag voorbij.
Mijn hart is Rijn, de liefde rot in mij,
en Gangesarmen stromen sloom terzij.
Hier d’ Amazone broeit, daar de Congo,
hun benen lopen kolkend weg van mij.
Jouw zee is hoe ik eindig weer in do.”

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CCIV

LAIS CCIII

voor n.l.

Haar ogen zijdelings die diep in het
ontloken als herhaalde schoonheidsschicht;
haar zijden glans,  daarin ontwaarde het
zichzelf, ontwaarde pasmunt nu bij licht.
Als niets verdween het daar, in haar gezicht.
En tranen zouten nu de bitterheid:
zij is het diepste leed dat het belijdt
en de wanhoop waarin het nu verkeert
verstrengelt pijn met nijd in eenzaamheid,
vernietigt hoop dat zij nog wederkeert.

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CCIII

LAIS CCII

Bovenal beaam: uzelf bent stapelgek.
Bemin uw klanken eerder dan uw zin.
Bevrijd op tijd van kwijl en nijd uw bek.
Zie uw eind als van iets ergers het begin.
Verzaak bezit, u zit daar zelve in.
Breng warmte daar waar nu een ander rilt.
Geef nooit een ja als u er niets van wilt.
Breng uw lijf niet in verlegenheid.
Spreek uit wat u in angst en vrees verstilt.
Gooi alles weg wat u vervult met spijt.

invoertekst (2013)

dv 2020 asemische lezing van LAIS CCII

LAIS CCI

voor n.l.

In de gedeelde warmte van de hand,
in de verblinding van de tederheid,
in ’t paradijs waar het is aanbeland,
verdwijnt het in de schaduw van de tijd:
het kan zichzelf nog zien, de eeuwigheid
waarin het zich tot u en haar bekent.
Het heeft wat zij daar waren nu erkend:
een weg naar hier, de code voor haar lach.
  En dat het afwezig is, is haar bekend,
want het vergaat in wat het strelen mag.

invoertekst (2013)

dv 2020 – asemische lezing van LAIS CCI