LAIS LXXXV


In ’t eigen beeld ziet het de ondergang
bewegen als verlangen naar de dood.
De stilte sneeuwt een wonderlijke zang,
stuift, dwarrelt dicht ’t gebrek en ook de nood.
Mist beparelt leegte, hoop zinkt als lood
en handen kneden rust in de handen.
De aarde onttrekt zich aan de landen
en zeeën ruisen als een vallend kleed.
Gehavend licht verbrijzelt de stranden,
glans wordt donk’re gloed, zacht zwart op het leed.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAISLXXXV

Advertenties

LAIS LXXXIV


Hier heb je nu, mevrouw, dat ‘het’ ook zelf,
een soort platvis, het vint op het droge.
Sterft het van dorst? Dorst het naar zichzelf?
Zoals wij kreunden, zo ligt het verbogen.
Zoals het liegt, hebben wij gelogen:
nietsontziend, helemaal wij, ik op ik,
elkaar ontkennend tot de laatste snik.
Ontzetting brengt het deze sparteldood
en smeekt het om gena: u geeft geen kik.
‘Het is maar woord’, zegt u, en: ‘Het wil dood’.

invoertekst (2012)

dv2019 – asemische lezing van LAISLXXXIV

LAIS LXXXIII


Ijswind op de lippen, kusmonden aaien
de stilte, wildgroei van ontsteltenis
in een decor van licht dat wil laaien.
  Ogen verdwalen in de gelijkenis,
armen benen zwart uit hun duisternis.
  Nimfenbloed ruist diep in de geluiden
“aan de dood zal ’t zich in leven stuiten”.
  In spanning elk bewegen wordt een streep,
klanken komen los van ’t lijf als huiden,
rauwe lust krijgt het zingen in zijn greep.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXXIII

LAIS LXXXI


Al de stemmen met hun melodieën
brengen huiverend tot klare klank
het gestrenge in de litanieën:
schrap geluk, schenk uw leven zonder dank,
negeer vertwijfeling, proef de stank,
kots uw ziel uit in het hopeloze,
voel de koude ketting van het boze,
verdoe uw spijt tot snik in het gelid:
ook u is offer, u, uitverkoren,
u wordt als ieder dra tot licht verhit.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXXI

LAIS LXXX


In Onterecht woont het, en Nergens gaat
het ’s zondags heen: die ene dag van licht
nummert de weken duisternis, is maat,
gradatie van het stijgende inzicht
dat het ontbonden wordt, dat zonder zicht
op toekomst, bij ontstentenis van hoop
ter dood vernauwt de nare levensloop.
  Maar als op maandag weer haar beeltenis
de schermen schroeit, dan wordt weer wanhoop hoop,
’t Niets weer Al dat in haar besloten is.

invoertekst (2012)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS LXXX

LAIS LXXIX


De avond valt, ziedaar verbijstering.
Scherven met lijfelijke resten, klaar
daglicht dat brandt van herinnering,
zotte maan, hoe die zweet, heur rosse haar.
Uw droge ja (u heeft toch geen bezwaar?).
Maar niets helpt niets goed. Het kan het mooi doen:
een vet verhaal dat eindigt met een zoen,
vrouwentongen om te likkebaarden,
passie onder roeiers van het galjoen,
zijden kousen die het openbaren.

invoertekst (2012)

dv 2019 – Asemische Lezing van LAIS LXXIX

LAIS LXXVIII


“It all goes up in files, flies, files…’
NKdeE 2006

Heel de wereld loopt in taal verloren,
al het leven wemelt er en zoekt
vergeefs een plaats, wil zichzelf opsporen,
maar de tijd heeft het ter dood geboekt
en ook dit schrijven wordt straks opgedoekt.
  Alles van waarde wordt brol. Stroom. Stof. Geeft
zich prijs , verwordt tot een het dat niet leeft.
LAIS slokt het in ’t duister spelende op,
stemt de klank, streelt het licht dat naar haar streeft:
’t lijfje luistert, is, en dan houdt het op.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXVIII