LAIS CCLXX

December. De bomen naakt en bevrijd.
De huizen glimmen en de spin gaat dood.
De kale maan houdt niet van narigheid,
zij wil haar aarde echt en recht en bloot.
De zon loenst schuin, zijn gluren is lood.
De mens is klein en krom, kop in kas, koud
zijn zijn gedachten, lelijk, dom en oud.
Niemand heeft haar licht gezien, ooit liep zij
hierin verloren, haar adem bevroor tot goud.
Spijt verglijdt naar nijd. Het glijdt zichzelf voorbij.

invoertekst (2014)

LAIS CCLXIX

November. Verlangen werd gehunker.
Zwart zijn de wieken van het gedane.
De schriele gestalte in zijn bunker,
vermaakt zich met wentelen in wanen.
Het is verdriet, maar dan zonder tranen,
bedrog inherent aan de belofte,
lege doos voor het tweemaal verkochte.
Liefde verstrikt in het haten van toen,
lust herinnert aan ’t helse bezochte.
Hoe hard is het echte, hoe zacht een zoen?

invoertekst (2014)

LAIS CCLXVIII

“O, der Wansinn der großen Stadt, da am Abend / An schwarzer Mauer verkrüppelte Bäume starren”
Georg Trakl – An die Verstumten

Grotesk doorschoten grauwe berg bederf!
In plas en blik vergeefs een spiegel zoekt
zich het mismaakte, schuift van erf naar erf.
In lekke kelen Waanzin gorgelt, vloekt
dat ’t Grote Feest te vroeg is opgedoekt.
Hoeren dealers druipen door de straten,
’t godswijf heeft ons hier al lang verlaten:
haar dronken geraamte sjokt naar zijn put.
Er is geen ziel meer om nog te haten,
In gaten het Niets verhardt zonder nut.

invoertekst (2014)

LAIS CCLXVII

“Schlaf und Tod, die düstern Adler / Umrauschen nachtlang dieses Haupt”
Georg Trakl, Klage

Slaap en dood, uw zwarte zeilen ruisen
en vermalen worden ’s nachts in het hoofd
woorden tot korrels, letters tot gruis en
buiten stormt het Niets, stom als beloofd:
koud en stil wordt het leven weggeroofd.
  Lijven rijten open op de tanden
van de tijd en niets heeft iets omhanden
nog: stem alleen die naakt en snikkend zinkt.
Diepte gaapt waarin wij dan belanden.
  Het vlakke zwijgen van de nacht weerklinkt.

invoertekst (2014)

LAIS CCLXVI

” Wenn es Abend wird,
Verläst dich leise ein blaues Antlitz.”
Trakl, Verklärung

Blauw, violet met purperen vruchten
vouwt de avond zich langzaam de handen
en vogelzang waart weids door de luchten.
Streng de nacht bekruipt de trage wanden
en zon bloedt uit in wazige randen.
De peulen der graven barsten open
in het wit van de maan, lijken lopen
doodsdronken het dorp uit, de velden in.
Etter komt uit de lijven gelopen:
de wereld is wonde, waan is haar zin.

invoertekst (2014)

LAIS CCLXV

Van het gebeuren meende Het dat het
geschapen was, en van die Schepping dacht
het zelf het doel en de betrachting, ja, hét
van je te zijn, tot plots, o stille dag,
gekroonde dag, toen het weer het echte zag.
Het echte heeft geen naam en ook geen doel
het echte is niet iets, het is gevoel
dat je in rust en mee ervaren kan,
met het gebeuren mee van jouw gevoel
en met de rust in het ervaren dan.

LAIS CCLXIV

De zwaarte is het zwijgen van de steen.
Hemelsblauw is hoe het zwarte verstart:
onbewogen gaat alles van ons heen,
de ruimte laat de leegte in ons hart.
Het Onverschil, dat buiten maakt ons hard
en iedereen draagt maskers in de nacht.
Het donk’re water waar de maan in lacht
de bleke bodem lokt, het licht is koud:
LAIS is huiveringwekkende pracht.
De engel die Het roept, is vuil en oud.

invoertekst (2014)