LAIS CXXXV


LAIS, leegte die is, aards paradijs,
ratelzang, dolende naam die beklijft
als een vlieg op rot vlees, vlammen in ijs,
mes dat het leed verdeelt en verdrijft
wereld waarin het als dode verblijft.
Het zag haar het toveren voltooien,
Het zag haar naakt geketend in het mooie,
Het ziet het tellen, het tellen telt af
Het ziet de taal zich van hem ontvlooien
Het ziet het krijsen: ‘blijf van haar af’.

invoertekst (2012)

dv 20196 – asemische lezing van LAIS CXXXV

Advertenties

LAIS CXXXIII


Hand 1 lijkt een klauw op haar reine huid.
Het woord bezweert een onbestaand verband,
het spreekt van wereld, maar het is er uit.
Het bezegelt het rotten van het land,
’t is datum van verval, schrik van de klant.
Hand 2 houdt zich stil, geen greep of geluid,
het wrijft haar niets aan, zo wil het er uit.
De stem spreekt zich dood, de uiting loopt mank,
het voelt hoe het sterft, het er steekt er uit,
het leeft zich niet in, de adem is stank.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXXIII

LAIS CXXXII


Het licht in heur haar toen het nog was: hij,
een onvolkomenheid, het donkere,
vervalst door vervlechting, het zwart opzij.
Het waait nu weg, los van het hunkeren,
stralen die in gaten verdonkeren,
kwetsuren, luizige tijd in de nerts.
Het graaft naar meer, van nog erger het erts,
zoekt de dood door afwezigheid van lichaam,
vernedering, niets nog van waarde, merz
vastgenageld in schrift, code, haar naam.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXXII

LAIS CXXXI


Het heeft de vleugels in de kast gelegd,
dode veren, een na een, laag na laag.
Het heeft de laatste hoop er bij gelegd.
Niets is alles nu, alles niets vandaag.
Het leeft na datum, maar het gaat zo traag.
Het rot. Dit krijgt geen schilder nog verschoond.
Het lijf is slak in ’t krot dat het bewoont.
Het houdt zich recht met letters van de wet.
Het heeft zichzelf met zinloosheid beloond.
Het glijdt gelijk gelei van stoel naar bed.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXXI

LAIS CXXIX


Eeuwigheid is het rijk van de orde,
de hang naar het rechte heerst er als dwang,
de waarheid weigert krom te verworden,
elke seconde duurt net even lang.
’t Veelsoortig leven maakte ons maar bang,
eeuwig hetzelfde is heel geschikt:
te lang heeft de mens die chaos geslikt.
Laat dus het leven vergaan tot vergaan,
ons heeft de wet van de rede beschikt:
zwart is de kleur van het ware bestaan.

invoertekst (2012)

LAIS CXXVIII


Het zoekt het, het gat in het midden, graf
van de vorm, vorm van het graf, het laat er
het graven toe, het legt het van zich af.
Het valt er in, lost op als in water,
rot in verderf, vuur in een krater.
Zij woelt in de wonde, steekt in het hart
haar bruidswitte hand duikt diep in het zwart
haar reiken grijpt in dras van het lijden
en trekt het naar buiten, en het verhardt,
strekt zich wit, stolt, wil het nog verspreiden.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXVIII

LAIS CXXVII


Het beeft. Het heeft geen angst meer voor de dood.
De tijd die het had is lang opgeteld:
zijn ster bij verte, leniging bij nood,
haar schoonheid belezen, klaar voor het geld.
’t Moment is voorbij. ’t verhaal is verteld.
’t Beeft en zingt zonder hart, het hart is zij.
De dood is maar tijd, ook dat gaat voorbij.
Wat het mist en niet raakt, maakt het compleet.
’t Gebrek dat doet beven, maakt het ook blij:
de hand trilt en wijst, het drinkt en vergeet.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS CXXVII