LAIS LXXV


naar La Mysterieuse van Couperin

Taal is een hel, een donker bastion
van zin na zin gemis van schittering,
want haar gloed is geheim, een medaillon.
Haar gebaar melodieus, verheldering.
Haar lach mysterieus, ontsluiering.
Het prent zich elke dag hun letters in
hun doffe woorden met wat sintel in,
geprevel met niet eens een fijn verhaal.
Tot komt de Stem die fluistert het begin
en dan vulkaan van haar in hemeltaal.

invoertekst (2012)

dv2019 – asemische lezing van LAIS LXXV – A6

Advertenties

LAIS LXXIV


Er heerst voldaanheid onder de mensen:
zij eten goed, bedrijven met elkaar
meermaals per week de liefde, zij wensen
wat weerom niet te krijgen is dit jaar,
maar het gebrek vormt met geluk een paar.
  Het wringt de handen langzaam in elkaar,
de vingers zoeken iets, het is niet daar.
  Het heeft zichzelf aan winden meegegeven
en het beaamt van takken het gebaar:
in onmin brekend zal het verder leven.

invoertekst (2011)

dv 2019 – Asemische lezing van LAIS LXXIII

LAIS LXXII


LAIS gebeurt, levend licht van ’t leven
zoals het donker aarde in zich draagt.
Haar glans is ons als stralen gegeven
dat door de mens tot liefde wordt vertraagd.
Lijf na lijf het heeft haar uitgedaagd,
maar slechts zichzelf ter dood in tijd gezet.
’t Ligt dan ontdaan van haar, alleen in bed,
verdaagd tot lijk dat met zijn wezen vecht.
  Zo sterft LAIS hier telkens weer, met
takken van nijd door ’t rottend zijn gevlecht.

invoertekst (2011)

LAIS LXXI


Het leeft zich uit in oude godentaal.
De handen gebieden, ’t lijf plooit gedwee:
waar armen ontbreken wordt zij een staal
van gesmolten pakijs,  vuur maakt weer zee,
vereisten doel, en golven delen mee.
Het leest en schraapt zich het merg uit het bot:
het werd te laat zichzelf, het proeft het rot.
Maar dan vreet het land, bijt woest fjorden uit,
bij elke beet steen rilt het van genot.
Op naakte stranden spuwt het zich uit.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXXI – A6

LAIS LXX


Het was gebeuren waar het echt kon zijn
meer dan letters in een lus rond haar.
Het volle leven vond het er, een zijn
zonder beleden leed en het misbaar
van het Wicht met haar terminale schaar.
Het had voor hen die kathedraal gemaakt
een werf, waar alles in elkander haakt
en nooit er iets op zich alleen bestaat.
Gebouw dat daarom nooit ten einde raakt
omdat er niemand stil in stond of staat.

invoertekst (2011)

LAIS LXIX


Het droomde vannacht als was het nu daar.
Het golfde als zee en zij was het strand
waar het licht aanspoelde, brak uit elkaar
en elke straal kronkelde op het land,
schitterde blij bij haar te zijn aanbeland.
Maar nu is er zijn zonder verlangen
waar het niets met het niets wordt omhangen.
Het tellen van niets herinnert zich toch
en klagend dan het breekt met gezangen
klankbodems open met licht erin nog.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS LXIX

LAIS LXVII


Het schrijft haar toe dat zij de dag dag maakt
de nacht nacht, en het het, en zij doet dat
zomaar alsof het niets was. Maar het kraakt
in het wit van het licht. Is er iets dat
er uit wil? Maar wat dan en hoe kan dat?
Droom na droom breekt het de schoonheid open,
laat het echte er zwijgend uitlopen,
zoekt het antwoord dat het nooit krijgen kan,
wil waarheid waarop het niet mag hopen:
geen mond is er die haar nog lezen kan.

invoertekst (2011)

dv 2019 – asemische lezeing van LAIS LXVII