LAIS XCVII


Zij, de boorden niets op haar afwezigheid,
is het moment waarin genadig is
de duizeling, de onmacht, het respijt
dat het niet krijgt, het nergens dat zij is,
de schelp waaruit de zee verdwenen is,
de hand waarin de tederheid verduurt
en waar vervloekt het oude verder duurt
terwijl het zuipt en hijgt en zich verzwijgt.
Het heeft vooruitgeschoven dood gehuurd,
het straffe soort. Het ziet, het lijdt, en zwijgt.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCVII

Advertenties

LAIS XCVI


Van haar luister gaat het jou vertellen
(het vreemde wil de weelde van jouw haar),
van haar nacht waaruit in jou wil wellen
het diepe rood van al het ware daar
(het kust jouw hals, het rare wordt gebaar).
Het wil jou geven haar astrale glans,
het kleedt jou uit, het strelen wordt een dans
(en jouw handen krijgen haar bewegen),
zij vult jouw lichaam met een tweede kans:
zij maakt jou vrij en lust is jullie zegen.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCVI

LAIS XCV


Nu het zichzelf in haar verloor, is het
niet vatbaar meer voor haar verandering:
voortdurend van het zijn bevrijd is het
berustend blij met zijn vernietiging,
want in zijn taal herkent het zekerheid:
het is niet het en zij niet zij maar zij
gebeuren in ’t heelal, en dus staan zij
te blaken van plezier en betekenis.
Het zijn gaat daar altijd aan hen voorbij
en hier zijn zij voor u belevenis.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCV

LAIS XCIV


Schoonheid is niet de kunst die stoffelijk
door opgekochte ogen wordt bestaard.
  Schoonheid is niet het lijk dat lijfelijk
verkild in de bestanden wordt bewaard.
Schoonheid is niet wat men tot ‘schoon’ ontwaard:
properheid heeft ons de schoonheid ontrukt,
het echte wordt met code onderdrukt.
Maar schoonheid wordt door hebzucht nooit besmeurd,
en in ’t onzalig rijk roept het verrukt:
“Mijn schoonheid is niet hier, LAIS gebeurt.”

invoertekst (2012)

dv2019 -asemische lezing van LAIS XCIV

LAIS XCIII


Van de ondoordringbaarheid van het zijn,
het artefact dat u als echt aanschouwt
terwijl het nergens is, en van de pijn,
van het gemis waarrond het muren bouwt,
van de brandende hand die het vertrouwt;
van het verdwijnen van de stalen as
waar alles is, en blijft, dat nooit er was;
van de plek waar niemand het raken kan,
waar niemand het ziet als was het van glas,
en van wat u las: daar was het oorzaak van.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCIII

LAIS XCII


Echt is de vervelende werveling
Die ruwer steeds zich rond de leegte slaat
waar het erbarmelijk te wiegen ligt, ding
dat lezing na lezing zingt van zelfhaat,
spatel is, tijdig roert in haar gelaat
het weerlicht van de ontwaarde schoonheid,
haar onbereikte onnavolgbaarheid.
Haar omwikkelt het met gelooide taal,
de klanken van haar naam ter afscheid
schrijft het laks als gebed, dood tot verhaal.

invoertekst (2012)

dv 2019 – asemische lezing van LAIS XCII

LAIS XCI


Lente, en haar lach wordt weer een lelie,
haar lichaam een rijgen van zijde in
zuchten van lucht, haar evangelie
’t murmelen van beken, ’t leven erin.
  Lijsters bezingen zoet haar blijde zin,
tuinfluiters doen bloemkelken tuiten:
zij is laaiend een feest daarbuiten.
  Diep steken echter blijft de pijn in ’t hart,
angst beklemt klam wat het niet kan uiten,
wanen waren driest door poelen van smart.

invoertekst (2012)

dv 2019 -asemische lezing van LAIS XCI