PERK: Kupris in ’t Woud


muziek: Bart De Becker
lezing: Jan D. Vekemans
opname en studiobeheersing: Arnout Camerlinckx

XXXIV   KUPRIS IN ‘T WOUD

Het woud, geworteld in de dorre blâren,
    Spreidt lommer met zijn loovers over ’t mos,
    En zijner bronzen armen tempeltrots
Wijdt honderd esmeralden zode-altaren:

Om steen en stronken waaiert zich de varen,
    Zefier kust geuren uit de rozen los,
    En door het heilig, hemelschragend bosch
Schijnt wellustademend een god te waren:

’t Is Kupris, wie de mirt en roze kransen,
    Wie maneschijn van leest en boezem licht,
        Wier lokkend oog in ’t hart verlangen lacht,-

En zeven duiven zwermen in heur glanzen,-
    De zode zwelt, waar zij heur schrede richt…
        Wee mij! Ik zie Mathilde in Kupris’ pracht!

Jacques Perk, Gedichten, ISBN 90351 2014 0, p.80

een productie van RADIO KLEBNIKOV, elke zaterdag 2 uur Vrije Lyriek op Radio Scorpio!

het


‘het’ in de RADIO KLEBNIKOV

in mijn ogen wellen de tranen om de dode zoon.
in mijn ogen staat gegrift het leed om de gestorven dochter.
in mijn ogen breken open koude zakken vol met bloed.
in mijn ogen helt het zinkende schip naar zinken.
in mijn ogen klaagt en kraait en lacht de kraai om ons.

in mijn ogen danst een lijk dat liefde heette.
in mijn ogen zitten ogen die de genocide leest.
in mijn handen bloeit de kennis en methode van het moorden op.
in mijn mond schreeuwt er een schreeuwen ‘er’ en schuurt de stem uit mij.
in mijn vingers knaagt de onmacht als een felle reumakramp.

door mijn armen trekt het leven weg en uit de lijven.
in mijn aders schuimt en snottert zwakte vol van zelfverachting.
in de nood kent men inderdaad zichzelf en daardoor ook zijn vrienden.

ik ben het.
ik ben het echt.
ik ben het helemaal.

het lacht. het weent. het danst en drinkt. het doet wat u en ik zouden doen.
het wil deeltjes vangen van mijn as in de bewegingen die ik hen leerde.
het zoekt restanten van verlangen in het rot waar ooit mijn tulpen stoeiden.
het breekt de aarde open in een geile hunker naar wat rust en peis.
het vindt daar helder slechts het felle blinken van een zeis.
het is de grimas op een dood en zwaar verminkt gelaat.

het schrijft dat ik het ben en het bestaat.

inputtekst (2010)

dv 2019 – ‘la main se ferme: elle aime le rien que je suis’ -A6

u, een apocrief vlak van het Pad van de Wenende Nacht


Izeganz tot het Onderbergse

u, de oordelenden
jaloers, wrokkig, inhalig

u, die mij de Stem ontzegt
van alle grote lyrici in mij
opdat ik uw gebral
versterken zou, uw krijsende
smeekbede om uw dood, uw ontkenning
van het leven

dat uzelf halsstarrig aan uw kinderen ontzegt
omdat u verkrampt staat
in de illusoire strekking van uw ik
een lid van het niets, een gat op oneindig
zoals u het strenger, sterker door uw ouders is ontzegd
& uw ouders straffer nog door de hunne
& zo tot in de verste verte
van uw kapitaal verleden
de dode einder der dingen waar uw ogen
brandend begerig blijven op gericht
met uw ruggen, stijf van het fatsoen
onwrikbaar gericht naar het heden

u, de oordelenden
die elke andere van de uwen
de ban in wil van uw verlangen
& slechts uzelf in hen herkent
als hen iets ernstigs overkomt,
op welke tijdstippen u zich dan
verlustigen kan
in het stromen der tranen
naar uw tranendal, niet om hen
maar om uzelf in hen,
het overlevende, het overleven
van uw dood op hun leven.

u, de oordelenden
jaloers, wrokkig, inhalig

u, die mij de Stem ontzegt
van alle grote lyrici in mij
opdat ik uw gebral
versterken zou, uw krijsende
smeekbede om uw dood, uw ontkenning
van het leven

u, de veroordeelden.