het moment (13)

de planeet dreunt. miljoenen banden drukken op asfalt, drukken, laten asfalt los. onder kraaien lachen de kraaien dat het winter wordt. elk hoofd is een beduimelde bokaal waarbinnen het onafgebroken zoemt. het steekt een vinger op: het zoemen verstilt, een lied vangt aan.

lieve mensen kreunen mede met het dreunen in hun bed van haat en pijn. violen zwellen aan van rozerood tot rottend lila, met een zin erin van bleke marsepein. in de pit van elk woord zit een ander woord verborgen. droef en teder likken de tongen de klanken tot de laatste letter op.

lippen die tot hier geraken dunnen ogenblikkelijk uit tot droge bloem. frêle kelkresten van tulpen, irissen en dahlia’s worden massaal verschroeid. een straaltje water ploft soms in de asse aan de voeten. god is een kind dat met een ratel draait en plast op ons.

het ontwaakt. zonder verwijl de vingers strelen haar dijen, er zijn schermutselingen. er komt een stilstand van sterren in haar ogen, een kosmisch instagram, licht dat licht vindt, trilt en zingt.

invoertekst (2015)

het moment (12)

de dag is een blauwe knikker op een zwarte tong. vurig de verhalen schieten kuit in de vijver der verhalen. werktuiglijk de zon stookt zijn fikgrage soefi’s op, hun flitsen doen spiegelscherven vlammen in de zee.

het raakt de einder aan alsof er iets bestond. het streelt er wuivebomen, krijgt wuivetakken in de mond. ernstige bergen berusten in hun glooien, neerwaarts naar het dal waar het zich heeft neergevlijd.

er zit een zwarte panter in, harig en vervaarlijk. het klauwen evenwel is rag, het krast kristal. het scheurt de wereld open tot een nu dat niet wil zijn, maar vonkt, dat bijval regent van de eeuwigheid in blijde schittering.

traag de woorden gaan de trap af naar hun zinloosheid, hun zin een langzaam naakt, hun letters mul als zand. het weet: het wordt een glinster op haar strand.

invoertekst (2015)

het moment (11)

het denkt en de gedachten spiegelen de broze dingen in de val naar hun vernietiging. flessen niets op zoek naar ’t hele ding daarvan. het lijf is hunkering. er zijn geen ramen daar, geen deur naar een besluit.

alles zinkt in d’ inkt van de beslommering, de schadeloze schijngestalte van het ware woord dat opgewonden dromen tot goedkope brol verwoordt. winst is zijde zachtjes glijdend op haar huid. ’t genot is van gebrek verdubbeling.

uit het rot van alle dingen wordt het heden als een vuurbal opgelicht. kijk, de wereld wil zichzelf verklaren in de mal van haar weerspiegeling. mensen worden opgeslagen in een waardeloos bestand.

het vrijt en de gebaren zijn verslingering rond haar. de vlammen in haar ogen verlichten het totaal. het wordt gezegde diep in haar, ontplooid zijn zwijgen op de toendra van haar orgelpunt.

invoertekst (2015)


journal intime

jt81 – plus je m’approche de moi moins je vois – WINST MA KE

Jean-François Chevrier heeft het verder in zijn hoofdstuk XII over oppervlakkige gelijkenissen met werken van Schongauer, Redon en over Flaubert die het ook wel ergens over iets anders heeft.
het aanhalen van de bekende seizoenshoofden van d’Arcimboldo gecollageerd met eetbaar spul lijkt misschien al wat meer gerechtvaardigd, maar het gaat bij Réquichot niet om een dergelijk verbluffend technisch truukje maar om echt erotisch geladen bewegingen en provocaties van instinctieve responsen: als hij voedselprenten combineert met concave dierenbeelden, tongen met taarten en gebak met bloedige gruwel wil hij de letterlijk de mond-hand- oog interactie van de toeschouwer aanspreken als omkering van de geregistreerde eigen automatismen, hij wil dezelfde aantrekking en afstotingspulsen en repulsies opwekken van het creatieproces, hij gebruikt de instinctieve walging die de beelden opwekken om zijn gewelddadige, monomane en sadistische panerotiek op de toeschouwer over te brengen. hij gaat door het oog recht naar de (onder)buik van de kijker.

Bernard Réquichot, NEKONK TANTEN TANK MANA, detail


het oog midden in het kluwen van de ringen van NEKONK TANTEN TANK MANA is tegelijk de opslokkende vaginale poort en het beloerende, beslijmde eikeloog waarmee hij de kijker wil confronteren met die afschuwelijke oscillatie van binnen-buiten, het heen en weer van het spel dat hij speelt om het moment te bereiken waarop het experiment zich ontpopt tot moment, tot een ijkpunt van de duurte in het verglijdende niets.
de mystiek van de lelijkheid is wat Réquichot zegt dat het is, lelijk en schaamte verwekkend. je kan daar niet zomaar conformistische verkoopbare Kunst van maken. Réquichot is wat dat betreft het finale eindpunt van de Kunst als artistiek gezwets dat enkel wil winst maken. daarna is het echt wel pure handel geworden, het werkt enkel nog als handel. niks mis met pure handel hoor, ons niet gelaten.

al die referenties die Chevrier uit zijn kunstkennershoedje tovert zijn dus totaal naast de kwestie, om dat te beseffen moet je enkel de teksten van Réquichot zelf maar te lezen en ernstig te nemen. nu, ik kan van Barthes nog begrijpen dat hij weigerde dat te doen, misschien omdat hij besefte dat wat Réquichot daarin beweerde al zijn noties van auteurschap onderuit haalde, misschien gewoon uit luiheid en uit gewoonte om liever de eigen theorie over het gepresenteerde werk te draperen, misschien uit onwil om een niet-gepubliceerd geschrift enige echte aandacht te geven of omwille van een combinatie van al die factoren.

maar Barthes schreef zijn stukje in 1972 en hij had ten minste nog een theorie waar je wat mee aankon. en hij schreef het tenslotte in opdracht van de commerçant Cordier, de werken dienden op literaire wijze gestut te worden. misschien speelt er in de motivatie om de echte thematiek en de ware aard van het werk van Réquichot te verhullen achter al dit droppen van modieuze namen alsnog iets soortgelijks mee, de marktwaarde van de werken van Réquichot zijn op tien jaar tijd vertienvoudigd, dus je kan dat zeker niet uitsluiten dat men zo er nog een nul wil bijflappen.

soit. wij hoeven er alleszins niet van wakker te liggen want wij hebben nergens wat te winnen of te verliezen. en we hebben voor de kennis waar wij op uit zijn, vooral de teksten van Réquichot zelf om ons haarfijn en exact uit te leggen waar het hem om te doen was.

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • teken je de geste
  • je signeert en dateert het resultaat
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma: een gesigneerde en gedateerde tekening met een titel in een vreemde taal

journal intime is een gratis NKdeE-programma

voorwaardelijk

pour Halette

op de tippen staat heel benig
’t klepelkleedje in de aanreikstand.

arabesken hebben droef en lenig
de deur naar buiten goed omrand.

’t weer is koud en grijs daarbuiten
en binnen is het stil en om het even:

geluid zal Annabel wel geven
wanneer de hand in ’t klokje

en de centen in de lade
van het kastje zijn beland.

het moment (10)

voor c.b.

de dag zit in het web der dagen, weerloos ingesponnen tot cocon. de minuten  willen uren duren verslingerd op hun een met zestig zijn.
de seconde heft haar treitervingertje en wakkert weer ’t verstrijken aan.

het denk aan nergens, ziet de jaren daar verglijden, hoe zij tijd aan tijd en lijf aan lijf verdoen. ’t oktobergrijs is hen een zilvereinder, die bleke zon te schamel voor hun gouden schaterlach.

de mensen zijn maar mensen in de wereld en de katten hebben zich van hen verschoond. vissen slurpen zee en algen wiegen slierten op hun traagste liederen van slaap en lieverlee.

liefde heeft in hen haar zotste lief gevonden. “kom,” zegt het, “we gaan weer heden maken, lieveling: maak een einde aan het einde, knoop het in je haar en vlinder weergaloos”.

invoertekst (2015)

journal intime #79

jt 79 – mystique de la laideur – TA FE LE

er bestaat blijkbaar een onweerstaanbare neiging onder intellectuelen om de eigen uitleg en verklaring als evidente uitstalling van deskundigheid en ‘geleerdheid’ belangrijker te vinden dan het onderwerp dat zij bespreken, zeker dan als dat onderwerp een andere man is.

vrouwelijke intellectuelen hebben daar merkbaar minder last van, vind ik, hoewel ik die indruk op geen enkele wetenschappelijke manier kan staven: het aantal ‘onderwerpen’ is in mijn geprefereerd gebied, dat van de creatieve maniakken, de monomane schrijvers, kribbelaars, krabbers en kathedralenbouwers, helaas te zeer beperkt tot mannen, omdat de vrouwen historisch zo lang van dat soort activiteiten uitgesloten werden.

zo lees ik aan het begin van hoofdstuk XII – Le contre-ciel Convexe/concave bij Jean-François Chevrier vandaag ook weer van alles over de Franse auteur en Gurdjieff-adept René Daumal, over Pseudo-Dyonisus en de negatieve theologie en over Mallarmé en Manet. ik ben hem daar zeer dankbaar over want al die onderwerpen interesseren mij danig en die René Daumal met zijn Gurdjieffke en dat Enneagram om de duizendvoudige multitude te reduceren tot een negenkoppig monster dat was allemaal nieuw voor mij, ik was daar heel de ochtend mee zoet.

er zijn mij evenwel totaal geen bewijzen bekend dat Bernard Réquichot zich op enige tijd meer dan oppervlakkig heeft beziggehouden met een van die zeer interessante andere onderwerpen. ik weet uit zijn eigen verklaringen daarover ondertussen dat hij weinig las, maar wel zeer intensief, verklaringen die van dien aard zijn dat je kan concluderen dat hij de gewoonte had om mee te denken met wat hij las, dat hij de gedachten van anderen tot de zijne maakte en daarmee aan de slag ging in het geval die gedachten hem leken aan te sluiten bij zijn eigen manier van denken. enfin dat is wat ik lees als ik hem iets zie schrijven over het ‘lire au bout’ van bijvoorbeeld de Monsieur Teste van Valery.

weinig lezen op zich hoeft trouwens geen beletsel te zijn om zelf prachtig te schrijven. ik ken persoonlijk een briljante autrice waarvan ik weet dat ze zelf haast niks gelezen heeft, maar de hypocrisie en de naijver is in dat tot uiterst onwelriekend plasje gereduceerde literaire vijvertje momenteel zo groot dat je dat soort kennis beter voor jezelf houdt. niets jaagt de afgunst zo hoog op als een natuurtalent.

soit. ik heb uit het eerste deel van dat hoofdstuk van Chevrier met die mooie serie troefkaarten in het literaire spelletje hartenjagen, dan ook alleen maar de 4 woorden van Réquichot zelf onthouden die daarin geciteerd worden: ‘mystique de la laideur’ en de anecdote die Chevrier daar nogal falsifiërend bijvermeld over hoe Réquichot voor de vitrine van een apotheker gefascineerd werd door een door kanker aangetaste paardenlever. ik ga de passage zelf niet citeren en hem op die wijze de eigen diensten retourneren: je kan het nalezen op CHEVRIER 2019 p.217.

Chevrier’s voetnoot bij die vier woorden van Réquichot verwijzen mij immers naar de brontekst van Réquichot: enerzijds naar de tekst die waarschijnlijk ten onrechte is opgenomen in de ‘Faustus’ samenstelling, een titelloze tekst beginnende met de woorden “Voici un des textes de notre personnage…” [REQUICHOT 2002 p.59-63] en anderzijds naar de brieven (aan Daniel Cordier) verzameld onder de titel ‘Lettres à un ami’ [REQUICHOT 2002 p.97].

in geen van beide teksten heeft Réquichot het met de beste wil van de wereld ergens over iets dat met wat Chevrier hier aanhaalt kan in verband worden gebracht. de passages (ik kom er later op terug wanneer ik ze vertaald en dus ‘au fond’ gelezen zal hebben) hebben het wel over (het moment van) het genieten, over de sadistische aantrekkingskracht van het morbide en over de revellatie van het moment, de Joyciaanse epifanie*, die volgens Réquichot moet geplaatst worden tegen de ondraaglijke vluchtigheid van het bestaan ten einde de dingen toch enige ‘duur’ te verlenen.

Dus als Chevrier op p.217 van zijn dure boek zegt “Réquichot avait retrouvé la trace de la théologie négative en voyant un jour un foi de cheval cancéreux” [ Chevrier 2019 p.217] kan ik enkel geloven dat Jean-François op een mystieke wijze in verbinding staat met de Ware Gedachten van Bernard Réquichot want in diens eigen woorden vind ik van die negatieve theologie hoegenaamd geen spoor.

maar het moet gezegd: ik zou dat alsnog kunnen vinden, want ik lees de teksten van Bernard Réquichot uitermate traag, stukje bij beetje, terwijl ik mij doorheen wat er over hem is geschreven worstel.

gelukkig valt dat in het geval Réquichot nogal mee, waarschijnlijk net omdat Réquichot een van de meest subversieve auteur aller tijden is: als je hem echt wil begrijpen, moet je de confrontatie aangaan met de ware aard van je eigen auteurschap, en dat zie ik er in ons huidige bestel weinig doen, geen enkele eigenlijk, man of vrouw, toch niet met de niets ontziende eerlijkheid en de zelfvernietigende grondigheid van de man zelf, een bereidheid om tot het bittere einde door te gaan,die je daarvoor nodig hebt.

soit, het maakt gelukkig ook dat mijn lectuurlijstje heel erg beknopt is. ik mag er niet aan denken wat het zou geven moest ik mij wagen aan een soortgelijke lezing van mijn favoriete Fransman, Henri Michaux, de grootste Belg aller tijden die ons, uiteraard, verlaten heeft. en wie, overigens kan hem ongelijk geven, Michaux? ware het niet dat Nederland zo vol zit met Ollanders, ik zou hier ook al lang de boel voor bekeken hebben gehouden.

hoewel als er één land ter wereld is dat een toonbeeld is van de ‘mystiek van het lelijke’, dan is het België wel! dus, alsnog: hommage à la Belgique,

au tarabiscoté horrible, cohin, saërdant harnac émésine ou délicieux sentiment trouble de la culpabilité, informe et biscornu, ou désordre hideux!

BR, [REQUICHOT 2002, p.107-108]

*in tegenstelling tot de auteurs die Chevrier vermeld, weten we van James Joyce wel dat die in Bernard Réquichot een fervent lezer vond: Ulysses was volgens een getuigenis van Dado zowat zijn lijfboek: “

« (…) Bien sûr, il aimait beaucoup Michaux et Joyce – il lisait Ulysse, c’était son livre de chevet – et son autre poète préféré, c’était Alexis Léger, Saint-John Perse. Si tu veux, Réquichot a fait mon éducation (…) » http://www.dado.fr/dado-peintre-requichot.php#note19b
[CV-PII 2016 p.85]

BRONCODE van het journal intime -programma

This image has an empty alt attribute; its file name is ietsanders.jpg

gegeven:

geste: het pad van de primaire, spontane beweging
schrijfleeslus: herhaling van de geste die zich gaandeweg stabiliseert binnen de corridor van de geste
corridor: het tijdruimtelijke vlak waarbinnen de geste zich herhalen kan zoals geprojecteerd op een 2D schrijfvlak
jij, je: een participant aan het journal intime programma

het journal intime is een dagelijks algoritmisch uitgevoerde handeling (functie);

  • je wordt wakker en je doet onmiddellijk dit (géén andere bewuste handeling ervoor): je beeldt jezelf een geste in eventueel gelinkt aan een woord of een frase
  • je neemt de blocnote en initieert de schrijfleeslus
  • als je merkt dat de herhaling zich gestabiliseerd heeft tot een geste
    • teken je de geste
  • je signeert en dateert het resultaat
  • je leest in een boek in een vreemde taal (eender welke, niet je moedertaal) tot je een fragment tegenkomt waarvan je denkt dat het kan dienen als 'titel' of 'benoeming' van de geschreeftekende schrijfleeslus

uitvoer van het programma: een gesigneerde en gedateerde tekening met een titel in een vreemde taal

journal intime is een gratis NKdeE-programma

bibliografie

BONNEFOIT 2013: Bonnefoit, Régine, Paul Klee. Sa théorie de l’art. Lausanne, PPur (Presses polytechnique et universitaires romandes), 2013 ISBN 978-2-88915-034-2

CHEVRIER 2019: Chevrier, Jean-François, Bernard Réquichot. Zones sensibles, Paris , Flammarion, 2019, ISBN 978-2-0814-4197-2

CV-P 2016 I: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. I: Thèse , Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CV-P 2016 II: Viallat-Patonnier, Claire, Les dimensions de l’écriture dans l’oeuvre de Bernard Réquichot. Etudes d’un processus. Vol. II: Annexes et illustrations, Paris , ECOLE DES HAUTES ETUDES EN SCIENCES SOCIALES, 2016

CR 1973: Billot, Marcel (ed.), Bernard Réquichot. Bruxelles, La Connaissance, 1973 (Catalogue Raisonné)

MORALES 2002 : Moralès, Gérald: La Poésie de Bernard Réquichot. De l’être à lettre, EFEdition, Paris 2002, ISBN 2-913786-13-8

MORALES 2010, Moralès, Gérald: L’écriture du réel. Pour une philosophie du sujet, Paris , Cerf, 2010, ISBN 978-2-204-09225-8

OURY 1989, Oury, Création et schizophrénie, Paris, Gallimard 1989, ISBN 978-2-7186-0354-4

REQUICHOT 2002: Réquichot, Bernard: Écrits divers. Journal, lettres, textes épars, Faustus, poèmes, 1951-1961, Les Presses du réel, Dijon, 2002

VALERY I: Valery, Paul, Oeuvres Tome I, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1957

VALERY II: Valery, Paul, Oeuvres Tome II, Hytier, Jean (ed.), Paris, Gallimard, 1960