zonsopgang voor ondoden


barst we regelen het
benoemen het als het maar in der minne:
het heft mij op als zon en jij wordt een naam
(ook al strijkt er af toe een vogel neer)
een strandenloos glanzende pingoruïne,

honderden lettergrepen op zoek naar hun zinnen
klanken in monden die niet weten hoe te beginnen
het drentelende zwerven van een vuilzak in het zwinne
geanimeerde muzetekeningen met vage vegen van kinnesinne

(het hoòrt nu ook al de dames van de straat hem nakijken)

in de bijeengeschraapte woordenschat der dagbladen
leg je het dan best geduldig uit dat het dus dan maar nu eens
een ander leven moet (gaan) beginnen

(het heeft daarvoor gebeld, men nam niet op, er,
en bovendien heeft het geen centen, van verdriet
ligt alles wel hier ja wat wil je de t-shirts, de lakens, de jekkers…)

(het wordt erg).

inputtekst (2010)

dv 2019 – “jera” – A6

(als mijn ma belt hang je haar maar op)

lijst met een aantekening


  • over de vlakte die onze vlakte is, ligt het veroverde vlakke in de wind te drogen en de geurige hersenschimmels vliegen ons bij het verkrampen in de ogen, alsmede de rode kristallen van de woordenmuur, de slierten scheldwegverf uit de grote hebgoederenpot, het rozige balken van de verknechte dieren, de gekraakte libellenvleugels, het zwarte schopschoenenleder…
  • in het wieken binnen het  luchtwieken bij het verwaaien verdwijnen de wieken die het waaien in het licht drijven en het droeve wordt ons van de lijven gerukt als ware het genaaid uit de huiden die wij ons lang geleden al afstroopten, en is zulk een smakeloos vertoon niet het plaatsloze zinderen gelijk dat onze stemmen tijdloos hun stem geeft, uiteindelijk?
  • de eigenaar van de blauwe Daewoo met nummerplaat WO2010 wordt dringend verzocht zijn wagen te verplaatsen. het krassen van de gebeden op het kogelvrije glas van de code mengt zich in de naar adjectievenoverdaad neigende zomerbries. men gewaagt van een nieuw hoogtepunt. de molenstangen met hun roestige grijpers voeren nieuwen plokken lijk aan.

een jongen van een jaar of tien loopt gehuld in een wapperend wit laken de eindeloze rij schermen af. aan een van de schermen zit zijn vader te huilen omdat die blijkbaar een vlek inkt gemorst heeft op een ongelooflijk gedetailleerde tekening van een zeilschip. de jongen duwt de vader een stok in de hand, knielt en houdt zijn handpalmen open. “sla mij” zegt de jongen, “dan gaat het huilen weg”.

de vader slaat 3 rode strepen in de handen van de jongen. het huilen gaat weg. de jongen begint te tekenen. de vader hult zich in het laken en gaat de schermen verder af.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “WUNJO

lijst met aanbeveling


  • de regen maakt arceringen op het dunne wit van de uren. vette
    strepen, daar waar het krom gebogen naast de pantoffels in het donker loopt de toiletdeur te zoeken. eksters krassen grappen in het gapen van een woordspeling.
  • grijze stippen stippen aan waar het dagenlang met de vingertoppen de foto’s van de kinderen aftastte, het spoor bijster van de warmte die er was. de vraag naar wie het was welt maar doet slechts braken. in het reine wit de klok die stilte tikt, het zoemen van bloed, een ademhalen, en de pijnscheut daar, waar het zich in haar afwezigheid verslikt. het vordert, het glijdt weg in de kussens.
  • er is nog een woeden onder de woede, een afschuw onder de walging, de bodems blijken keer op keer doortrapt en lelijk zoals alleen een valse metafoor kan zijn. het licht van de lamp tekent de lamp op de deinende lijven, op de vertwijfelde gezichten om licht te kunnen blijven. de boeken slikken het roemloze snikken in het aangehaalde snikken, de hand troost en verdwijnt in de troostende hand die alleen ligt in de plots sterk verouderde hand. ha, er is nog wijn, het kan nog nergens zijn.
  • de hand stipt de bewegingen aan van de hand onder de hand, die hand die het oog draagt dat aan de trildraden  in het verzonken zwart hangt te bloeden. en de bewegingen bloemen op als inktwolken in water: het glooien van zich opspannende rugspieren, de witte angst in de gezichten, de zoekende mond die geen tong vindt, geen tanden of lippen meer.

“ik heb de steile klim getekend” schreeuwde de schilder verbeten, “naar het schone en het schone heb ik ontdekt in het steile klimmen van de felle kleuren naar het stille wit en hoe ik daar middels fijnzinnige krullen en letters uw verschijning de verpletterende bel  van het ontwaken
kon aandoen, de oorverdovende roep van het Ene.”

ga jezelf toch wat lopen fokken, man.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “teiwaz” – pastel – A6

MU


de handen scannen bij herhaling
het onthullen. ziehier de plooien van
het afgerukte kleed in marmer. ziedaar
het houterige opbloeien der afgehakte tepels.

dat het haar land pardoes in het jouwe laat vallen
en dan het weke op jouw barre bodem streelt, jij
gelukkige!  het brandt en rilt en leest
in opwaaiend zeewier haar verhaal.

geschiedenis :: atlantis

de meeuwenvleugel krijt de spiegel open,
haar keel klokt zwart weg met het blauwe,
het slikken slikt haar honger en de vogels
en de zon, het draaien is het hare
hoe zij kolkt met opgeheven kont.

de hese lach van deze muze maakt
de laatste dichters misselijk en moe.

de wetenswaardigheid. ze
is die kleverige string.

in het zingen ter dood van de m
slaat heel de hel tot hemel om.


in het oordeel van de u
begint elk einde beter

voor het beginnen kan,
onmiddellijk, nu.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “MU” – pastel & potlood – A6

ekster



debris van stralen in de mal van laster,
zee-uiting van verstikt wit
in de blauwe spiegel van het zwart, gij,

ekster,

grote rimpelgrot van de aardmond, kwab
kwab rond de aars van de vorkende god,

bij zee de slokop klots op de kade, die
met de sherrytong van Pessoa, die
met de klaplong van Velimir en die
met de wuivende plastic palmen
van de boekjespraters, de murmelende bloedhonden.

en bij de tesserae op Venus:  het lééft, het
is het jeukende eelt op de ogen O  tot en met A
het haalt het doek open tot het wit
bloedt, de zaal ingutst, het kijken wegspoelt,

dus grijp vlug de winkelhaak, zet de hond op,
haal de kat uit de garage, we moeten sofort
naar de bondgenotenlaan. 

het vet dreef boven, we dienden maar op te scheppen…

het is de dinoflagellates
het zweeft de muil in
van jullie oliewolf,  

wiefiel lowie, wiefiel
für diene deine diene

wiegeziel?

inputtekst (2010)

dv 2010 – “esker du’ – Acryl op papier – A2 (vernietigd in 2013)

esker: https://nl.wikipedia.org/wiki/Esker

opgave (7/7)


gevat in de brand zit de vonk
zich te vervelen. het vijfde deel
is een uitgestoken vinger in het
alziende oog en zo gebeurde het

dat de zee naar sperma
begon te geuren;

in de nacht was het beland, de langste nacht.
het wachtte wel een jaar of zeven.

holst. holde, tot het stond.
opgeven was geen optie.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “son monde m’invite à créer des nouveaux mondes” – A6

opgave (6/7)


de mens is het geheim van het paraat.
schaamte, rieten kororo (o nano)!

tussen de begerige vingerogen worden
met brandende touwen de klemscharen
van de odal gespannen: ontembaar

is die pracht, rafels zijn het van g*ds hemd
en woester loeit het en grijpt en golft nu er van
mij verlangen om te sterven wordt verlangd.

die papzak zuigt haar nog een buidel zo
(geen staldeur blijft onaangeroerd).
wat rest is een roetlijn opgefikte lucifer.

schaamte, onanie (rococo) van rite!
de aap is het geheim van de mens.

inputtekst (2010)

dv 2019 – “son Désir exulte en Dieu ayant l’ Esprit du dégoût de Soi-Même” – A6