VNFM1: seculantie


verworpen neologismen voor het ‘Fin de Millenium’

seculantie

kruipen op ’t strak gespannen spekvel
in de uitgebrande bedding met het
hagedissenzwart, het distelgroen waar
rood steekstof en schuurstenen oude
wonden openrijten en klauwen
tasten in flarden opbloei van vleesrot, waar
feestelijk blauw gierkeelt de aasschreeuw :
de laatste mens die zich het eerste woord
herinnert en het brullen van de minotaur.

kijk om naar wat vooruit was, jouw
hogere oorsprong: staar achteruit, daar
was de bestemming, nee, niet daar
iets lager, hoger, boven
de opgespannen waterlijn daar
waar de zon hangt aan jouw einder.

in de bedding ruist de witte stilte.
jij moet wat dieper kruipen, jij.
hier heb je de draad al
van de seculantie.

inputtekst (1992)





Harusmuze #308


308 – de grond van de oorlog is de groeiende onvrede van de akkers met het ongebruikte ongeduld

input

https://dirkvekemans.com/2018/11/04/harusmuze-140/

commentaar:

de mens is als individu zelf al een uiterst complex systeem, maar als je dat afzondert van het geheel van haar interacties met de omgeving kan je het net zo goed zien gehoorzamen aan de wetten van de fysica als een kei: duw een kind van de toren van Pisa en het valt net zo goed recht naar beneden.

wij proberen ons eigen complexe systeem te begrijpen met behulp van talige gedachten waaronder dus ook dat gegoochel met de wetten van de fysica die wij menen te begrijpen net omdat wij onszelf daaraan weten gehoorzamen los van eigen wil, verlangen of enig ander humaan gekweddel: onze talige gedachten lijken ons daar te overstijgen, hoezeer het ook talige gedachten blijven, want ze blijven los van enige omstandigheid gelden: ’t is wat het is, of het nu wijn is of pis.

het is dan uiteraard zeer verleidelijk om te veronderstellen dat er voor de werking van onze eigen complexe systemen waaronder het complexe systeem dat wij menen te ‘zijn’, het individu dat hier denkende leest, dat er daarvoor ook dat soort wetten te bepalen moet zijn.

tenslotte is het daar buiten ons nog veel complexer è, en daar marsjeert het wel! tot in den treure!

maar o wee daar slaat weer toe des mensen plaag der eigenwaan! want hoe wij denken te bestaan geldt enkel zo vanuit het denken en de taal die dat bestaan te denken geeft en te verwoorden wat het daar zo snugger als een wet ontwaart.

de wijn, de pis, het water van wat er in de taal aan woorden is, loopt echter gans eender van hoog naar laag: het zijn bepaalt alleen ’t bestaan van wat er zogezegd is, en voor ’t gebeuren zelf is dat maar flauwe kattenpis. wat wij zien, zien wij en dat zal wel conform de wetten zijn die ook ons zien bepaalt, waaronder ook de fictie van het zijn.

wat wij niet zien, euh, dat zien wij niet, nooit.

zo gebeurt het dan ook vaak dat wat wij willen zien gebeuren, maar nemen voor het gebeuren zelf, omdat wij daarin dan zo groot en danig weten een voorname rol te spelen. wij voeren oorlog met de legers en de straffe generaals. wij bouwen steden en stampen kathedralen uit de grond. wat zijn wij toch zo dapper en in de kosmos zien enkel wij toch de oorsprong, het einde, de groei en de grond!

de Harusmuze zegt vandaag ‘joa: bijna’ en streept met groot jolijt de humane lambda uit haar weer bewogen wetten op de wirwar van het krioelen op de ‘grond’.


scève

La craincte adjoinct aeles aux piedz tardifz,
Pour le peril eminent eschapper,
Et le desir rend les couardz hardiz,
Pour a leur blanc diligemment frapper.
Mais toy, Espoir, tu nous viens attraper,
Pour nous promettre, ou aspirer on n’ose.
Parquoy estant par toy liberté close,
Le seul vouloir petitement idoyne,
A noz plaisirs, comme le mur s’oppose
Des deux Amantz baisé en Babyloine.

alp


Het staat van steen in mij en ’s nachts
het stoot dieper door in vlees en bot.
Het marmert mij de ogen en in het rot
van mijn gebit het stort de kiezel pijn.

Het droogt mijn keel, het striemt mijn tong
het vraagt de lippen in de spiegel of ik het
persen zie, het perst mij uit tot ik het ben.
Lap. Ik schrijf het neer zodat ik het niet zeg.

inputtekst (1992):

LAIS XXIX


Zwart glanst in azuur op wit verdwijnen
wat van begin tot eind in eigen git
geborgen blijft: spel van klare lijnen
dat betekent wat het zelf beschrijft: dit
is wit gelezen zwart dat in haar zit.
   Gracieus wordt zij godin van schoonheid
die gaat leven als hij ‘t geloof belijdt
gewoon door het bewegen te bekijken
dat elk moment zijn ziel met haar verblijdt:
als LAIS is, moet alles wijken.

dv 2019 – AR van LAIS XXIX

de ellendelingen


vrij naar Kamiel Choi en Harmen Verbrugge, PleePoeten

dv 2019 – ‘de ellendelingen’ – photoshop montage

Aan de rand bulkt het naamloze: de melaatsen
schieten er op met de vaart van het rot in beton.
Zij geuren en blaken als drogende drek in de zon
tussen gevels die klagen en kermen weerkaatsen.

Kijk, daar heb je Choi die zomaar langs komt lopen.
Hij heeft in zijn tas een buidel stinkend verval.
Hij briest van de kou, en krabt aan een bal:
wie wil er nu nog sonnet van hem kopen?

Wakker hij droomt van een bordeel zonder muren
waar iedereen iedereen pakt gans de nacht:
het is hem te machtig dat dit nog moet duren.

De draad hier hangt slap tussen twee lege polen:
de koude ondode houdt stroomloos de wacht
en klutst bij min zes met verlopen symbolen.

Harusmuze #306


//je krijgt wat je verdient als je dient wat je nodig hebt tot je het niet meer nodig hebt 

306 – de rede holt de waanzin na maar kan haar nooit begrijpen

hexagram 25 – 無妄 – WU WANG – ‘zonder brol’

input

https://dirkvekemans.com/2018/11/07/harusmuze-142-2/

commentaar:

daar waar de waanzin zich krachtens Harusmuze #142 zelf aandrijft, neigt de rede fataal naar haar eigen stilstand door zich van haar voedingsbodem te willen losmaken. beide polen zijn in de hoofden der fantasten een reductie van wat er werkelijk gebeurt: je kan de waanzin in haar zinloosheid beschrijven, maar daarmee begrijp je niets van zij die haar beleeft en evenmin beschrijf je iets van wat zich in het menselijke aan rationaliteit vertoont door de wetten ervan vast te leggen.

de meest nuchtere berekening is niets als zij niet gebeurt. een wet is dode letter tot zij in een gebied wordt toegepast. de rabiate rationalist belijdt zijn hevige rationalisme steevast om uiterst zelfzuchtige en volkomen irrationele redenen.

zo valt in de Bewegingsleer de waanzin met de rede samen in het aanvaarden van wat er gebeurt. de ‘vrije’ wil van het individu is niets meer dan haar lot uitgedrukt in de humane Brol: zij die doorheen die door haarzelf in de expressie aangemaakte overbodigheid het echte leert zien van wat zij nodig heeft, zal haar lot als haar eigen wil aanvaarden kunnen en de beleving ervan niet langer als een noodlottig ondergaan ervaren, maar als loutere beleving: de aanblik het licht en de warmte die zij uitstraalt, de woorden en de zang die uit haar klinken mag, het genot dat zij zichzelf en haar beminden geven mag.

zij zal, in de gelouterde beleving van de beleving, van haar nood een deugd maken.

elke andere kijk op het gebeuren dan deze algehele onverschilligheid, dit uiterst tedere gebrek aan appreciatie, is een vermenging van belangen, deels redelijk of waanzinnig, deels vol van rot of pas in bloei, maar nooit geheel het gebeuren zoals het zich naakt en zonder brol in jou voltrekt: nu.

scève

Ta beaulté fut premier, & doulx Tyrant,
Qui m’arresta tresviolentement:
Ta grace apres peu a peu m’attirant,
M’endormit tout en son enchantement:
Dont assoupy d’un tel contentement,
N’avois de toy, ny de moy congnoissance.
Mais ta vertu par sa haulte puissance
M’esveilla lors du sommeil paresseux,
Auquel Amour par aveugle ignorance
M’espovantoit de maint songe angoisseux.

joa. de fut is er hier ewa uit è, bij Maurice…

praten is het woord


Praten is het woord verhangen.
Toegesproken stopt de sneltrein niet. Men
bespreekt waar je was.

Schrijvend hang je traag te snakken
naar de halte van de eigenwaan. Je
leest jouw naam verkeerd.

Ik ben immers al verdwenen
in het spoorwegnet. De aankomsturen
daar zijn niet voor mij.

Dichten deed ons ’t woord verhangen
van de plaats waar niets al hing naar daar waar
niets nog hangen kan.

inputtekst (1992):