geloof


ach lied, mijn lied
jij helpt de smart
wanneer de rampen raken,
jij kan, o lied, de wond in ’t hart
de droefte tot geluk vermaken

ach lied mijn lied
jij laaft de dorst
jij blust het brandzwart blaken,
jij kan, o lied, de kankerborst
en ’t wee daarin doen staken.

ach lied mijn lied
het zwijgend nat
dat rolt nu langs mijn kaken
jij kan, jouw ware aard is dat,
jij kan ’t naar honing laten smaken…

ach lied, mijn lied


Guido Gezelle – Juni 1860,

rev. dv maart 2019 – inputtekst:

O LIED

o Lied! o Lied!
Gij helpt de smert
wanneer de rampen raken,
gij kunt, o Lied, de wonde in ‘t hert,
de wonde in ‘t hert vermaken!
o Lied, o Lied!
Gij laaft den dorst,
gij bluscht het brandend blaken,
gij kunt, o Lied, de drooge borst
en ‘t wee daarvan doen staken.
o Lied! o Lied,
het zwijgend nat
dat leekt nu langs mijn kaken,
gij kunt het, en uw kunst is dat,
gij kunt het honing maken…
o Lied! o Lied!

dv 2019 – AR van ‘geloof’



LAIS XVIII


Wat weg is, heeft zich ooit een weg gebaand:
compleet verrees uit stoffelijk gebeuren
geen leven eerst maar degradatie, staand
verderf, zure schimmel, zwavelgeuren
misselijkmakend in natte scheuren.
 Weelde wemelt, wil zichzelf vertellen
‘t gewoeker ontaardt, ‘t verval blaast bellen:
verdeling drijft ‘t gelede leven aan,
‘t raadsel mens ontstaat als iets met cellen.
Maar in LAIS wil het als hij bestaan.

dv 2019 – AR van LAIS 18


LAIS XVII


Door ‘t vage heen waarin haar klaarheid was
zoals de maan ook toen aan hem verscheen:
vergleden schijn op de spiegel van een plas,
zijn gladde vlak van woorden om hem heen
haar  witte schip dat in de zon verdween.
  Zinloos bleek te zoeken naar het echte,
‘t ware met het schone te bevechten:
wat er gebeurd was, is, gebeurt niet hier.
Liever dan van haar zich te onthechten,
zocht hij in eigen ondergang vertier.

dv 2019 – AR vn LAIS XVII


LAIS XVI


Reusachtig zelf een grote, warme vrouw
kamt hij met trage halen de haren
die als een gordijn links, rechts langs de vouw
ook zijn naakte borstkas doen bedaren
nu hij zich al dromend wil verklaren.
  “Zo laat ik hier”, zegt hij “dit klieven toe
mijn innerlijk te tonen, het ene moe,
dat ik haar te midden al het woelen
dromend zeg wat ik ook wakend doe:
LAIS is mijn weg naar alle doelen.”

dv 2019 – AR van LAIS XVI

LAIS XV


XV

Honderden handen hangen te drogen
deskundig ontvleesd en ontbot, de huid
weer opgezet, de vingers gebogen
tot wijzen en grijpen dat niets beduidt,
loze gebaren als van iets toch besluit.
   Lomp hun lijven strompelen eronder,
mompelend ze stompen elkaar zonder
doel, enkel daartoe gedreven door nijd.
   En ook hij voelt zich heel erg bijzonder,
heeft in zijn droom voor de ander geen tijd.

dv 2019 – AR van LAIS 15


zin


voor k. j.


haar adem heeft mijn vrede als ze slaapt
haar zwijgen alle tonen van haar stem
het oker van haar lichaam glanst verrukkelijk
in het duister is het donker weg en brengt
van ver haar luister hier en dicht bij mij.

ik kus de vuistjes van haar handen open tot een kom
ik leg mijn hoofd er in, zij knort verveeld en streelt mij blij.

maar ga maar weg nu, jij, ik hoef geen lezers hier.

ik wil niet dat zij weet dat ik al heel lang weet
dat zij ontdekt heeft dat ik haar zo nachtenlang bemin
het is maar spel dat ik dan stiekem in haar bossen dool
en uit haar diepten opdiep lelie, tulp en roos en gladiool
zij wacht nog tot ik god zeg ja maar nee want dan is zij godin
en door mijn zwijgen krijgt zij meer nog in mijn schrijven zin.