VNFM1: seculantie


verworpen neologismen voor het ‘Fin de Millenium’

seculantie

kruipen op ’t strak gespannen spekvel
in de uitgebrande bedding met het
hagedissenzwart, het distelgroen waar
rood steekstof en schuurstenen oude
wonden openrijten en klauwen
tasten in flarden opbloei van vleesrot, waar
feestelijk blauw gierkeelt de aasschreeuw :
de laatste mens die zich het eerste woord
herinnert en het brullen van de minotaur.

kijk om naar wat vooruit was, jouw
hogere oorsprong: staar achteruit, daar
was de bestemming, nee, niet daar
iets lager, hoger, boven
de opgespannen waterlijn daar
waar de zon hangt aan jouw einder.

in de bedding ruist de witte stilte.
jij moet wat dieper kruipen, jij.
hier heb je de draad al
van de seculantie.

inputtekst (1992)





alp


Het staat van steen in mij en ’s nachts
het stoot dieper door in vlees en bot.
Het marmert mij de ogen en in het rot
van mijn gebit het stort de kiezel pijn.

Het droogt mijn keel, het striemt mijn tong
het vraagt de lippen in de spiegel of ik het
persen zie, het perst mij uit tot ik het ben.
Lap. Ik schrijf het neer zodat ik het niet zeg.

inputtekst (1992):

LAIS XXIX


Zwart glanst in azuur op wit verdwijnen
wat van begin tot eind in eigen git
geborgen blijft: spel van klare lijnen
dat betekent wat het zelf beschrijft: dit
is wit gelezen zwart dat in haar zit.
   Gracieus wordt zij godin van schoonheid
die gaat leven als hij ‘t geloof belijdt
gewoon door het bewegen te bekijken
dat elk moment zijn ziel met haar verblijdt:
als LAIS is, moet alles wijken.

dv 2019 – AR van LAIS XXIX

praten is het woord


Praten is het woord verhangen.
Toegesproken stopt de sneltrein niet. Men
bespreekt waar je was.

Schrijvend hang je traag te snakken
naar de halte van de eigenwaan. Je
leest jouw naam verkeerd.

Ik ben immers al verdwenen
in het spoorwegnet. De aankomsturen
daar zijn niet voor mij.

Dichten deed ons ’t woord verhangen
van de plaats waar niets al hing naar daar waar
niets nog hangen kan.

inputtekst (1992):

de dichter des zomers


Kleur is hem in de kleren gekropen
dit hoogseizoen dat dons op zijn verzen doet
en danig zijn oren tuiten met toeters en trommen.

Bloemen te waaien staan op zijn hemd
dat longen omvat met een vuurzee van aardlucht
en gele geuren van haren en rode en lachjes die krullen.

Zwart met gaten zo diep als ’t heelal
blijft hij aan de aarde geklonken en niet erg in trek
is zijn stek in het pretpark van sterven en taal.

inputtekst (1992):

eentje van het huis


“Hij had alles verteld. De andere, die ouder was, hadden we maar meteen afgeknald, die zou toch niks lossen. Die zijn kop hing te bloeden op zijn schouder, dat maakt indruk, dan nijpt ge ze al, hoor.”

Den Bère vertelt over zijn legioen-jaren. Hij is vandaag vader geworden, komt het vieren aan mijn toog. “Na alles wat ik meegemaakt heb, weet ik nu pas wat het leven is”. Hij meent het.

“Hij lag daar, vastgebonden aan die dode, en we gingen met een gloeiende stok over zijn voetzolen, en hij verklapte alles, en toen heb ik mijn Uzi op hem leeg geschoten.

Bert is glazenwasser nu. Hij doet zijn werk zorgvuldig, geen vlekken, geen strepen, vakwerk. Hij deserteerde, is getrouwd dan. Hij is dronken, maar niet te erg. Hij weent.

Ik vul zijn glas. En het mijne. We drinken op het wonder van de geboorte.

inputtekst (1992):

uit de maat


voor en over c.v.

Drie planten zonder bloem
in licht en donker groen
variëren op een tune van Monk.
Mijn vingers doen de honk.

Doemdadoemdadoemdadoemda doe jij.
Dat past daar hoegenaamd niet bij!
Ik denk dat ik dit schrijven beter laat:
’t is geen dadoem en de doemda is uit de maat.

inputtekst (1992):